Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
LES. 5.
vervolg dbr voorgaande.
De Zelfstandige naamwoorden, die in het meervoud ecue d vorderen,
worden in het enkelvoud ook met eene d geschreven: zoo schrijft men
hijv. hand en niet hanl, omdat het meervoud is handen; vereischt het
meervoud eene t, dan bezigt men die ook in het enkelvoud; als: ^cZ/ri/"/,
schriften.
Het verleden deelwoord van alle gelijlivloeijende werkwoorden gaat
uit op d of t. Wanneer de onvolmaakt verledene tijd de in den uii-
{iang heeft, dan gaat het verledene deelwoord ook in d uit, bijv. ik
beminde, ik heb bemind. Heeft echter deze tijd Ie, dan eindigt ook het
deelwoord in t, als ik strafte, ik heb gestraft.
De woorden op ƒ uitgaande, veranderen, als do klank lang wordt of
blijft, in het meervoud do scherpe ƒ in eene zachte v, als: hof, hoven,
neef, neven, geef, geven, graf^ graven.
Die op s veranderen gewoonlijk de s in ^ ; als; huis huizen, glas,
glazen.
De / en 5 worden verdubbeld, wanneer de klank kort blijft, en er
geen andere medeklinker bijgevoegd is; als: 6e/ beffen, stof stoffen,
mes messen, os ossen, das dassen, enz.
De woorden op sch, voorafgegaan van een korten klinker, verdub-
belen ook de s als: ßesch flesschen, bosch bosschen.
De s wordt niet veranderd of verdubbeld in kaarsen, kersen, kousen,
pausen, polsen, schorsen, spiesen.
De tweede persoon enkel- en meervoud in alle tijden der aantoo-
nende en aanvoegende wijs van werkwoorden eindigt op t; als: gij be^
mini, gij bemindet, gij bindt, gij bondt, enz.
De derde persoon enkelvoudig eindigt alleen in den tegenwoordigen
tijd der aantoonende wijs altijd op hij leest, hij antwoordt, enz.
Uitgezonderd : hij kan, hij mag, hij sal, hij wil en hij is.
Met eene g schrijve men alle woorden, waarin de g als wortelletter
of inde afleiding voorkomt. Zoo schrijve men: bragt, pHgt, dag
met eene g; omdat het van brengen, plegen, dagen afkomt.
Met ch schrijve men alle woorderv, waarvan in het stam- of afge-
leide woord geene g voorkomt; bijv. krachtig van kracht, enz.
Met eene hoofdletter schrijve men:
1. Alle eigennamen; als: Jan, Parijs, Wolga, enz.
2. De eerste letter van elk woord, waarmede een volzin begint.
3. De eerste letter van elk woord, waarmede iedere regel in dicht-
maat begint.
4. De eerste letter van alle woorden, die eene waardigheid te kennen
geven en den naam van den persoon achter zich hebben, als:
Keizer Napoleon, Koning Willem lil.