Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
7. De woorden, waarin Oe e dikwerf met eu verwisseld wordt; ats:
spelen, speulen, stenen, steunen, enz.
8. Al de woorden, waarin de e onraiJdelijlt door g, v z gevolgd
wordt; en van vreemden oorsprong die op eren uitgaan: als: leven,
regen, vezel, excerceren, enz.
Met de scherp-iange of dubbele e schrijve men:
1. Alle woorden, die wel eens met « of f> worden verwisseld; ais:
gemeene, gemeine, steenen, stienen, enz.
2. Alle woorden, die op eelen eindigen; als: juweelen, kameeUn, enz.
Uitgezonderd kelen, gele, verschelen, velen, spelen, bevelen.
Met de zacbt-lange of enkele o schrijve men:
1. Alle ongelijkvloeijende werkwoorden; als: bedriegen, bedrogen, zuigen.
Zogen. 4Heen uitgezonderd zijn : koopen, loopen en slooien.
2. Alle woorden waarin de o wel eens met eu verwisseld wordt, als:
logen, leugen, noten, neuten. Uitgezonderd noodigen, e» tooveren.
3. Alle woorden waarin de o verkorting of verscherping duldt; als:
boter, botter, schotel, schottel, enz.
4. liet meervoud van die woorden, welke iu het enkelvoud de scherp
korte O hebben; als: goden van god, schoten van schot, enz.
5. Woorden van vreemden oorsprong, welke bij ons den klemtoon op
de O hebben; ais: koper, mode, olie, toren, enz. Uitgezonderd:
kroonen, toonen en troonen.
Met de scherp-lange ol' dubbele o schrijve men :
1. Het meervoud dier woorden; welke in het enkelvoud op noot en
loos eindigen; als echtgenooten, goddeloozen, enz.
2. Alle woorden, die in unilere talen au hebben ; als: boomen, bäume,
koopen, kaufen, enz.
Met eene ij schrijve men :
1. Alle ongehjkvloeijende werkwoorden, waarin die klank voorkomt;
als: wij schrijven, wij schreven.
2. Alle werkwoorden, die van een ander woord afgeleid zijn, waarin
de ij voorkomt; als: bedijken van dijk, spijzigen van spijs, ver-
rijken van rijk.
3. De woorden welke op ij uitgaan en een staat, eene waardigheid
of eene werking aandtiiden; als: abdy, maatschappij, slavernij,
4. De woorden, die in het fransch i hebben; vin, wijn, ris, rijst.
Met ei schrijve men:
1. De meeste gelijkvloeijende werkwoorden, waarin die klank voor-
komt; als: reizen, wij reisden.
2. Alle woorden, welken op heid, lei, cn stein eindigen; als: goedheid,
velerlei, Ussetstein.
3. De woorden, waarin eg of ege in ei is zamengetrokken als: dweil
van dwegel, zeil van zegel.
4. De woorden, die in het franscb c of ai hebben; majeste,majesteit,
palais, paleis.