Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
7 Les. 50 z.n.\v die wezenlijk en 25 die denkbeeldig bestaan.
25 gemeene, 20 eigene en 10 zamcng. z.n.w.
20 verkl, z.n.w. die op je, 15 die op tje en 5 die op pje uitgaan.
25 z.n.w. die hun meerr. vormen door achtervoeging v^an eene $, 10
door eene n, 20 door en, 14 door ers of eren»
25 woorden die van de gewone regels afwijken.
20 woorden die alleen in het enkelvoud en 10 die alleen in het meerv.
gebruikt worden.
8 Les. De regelen van het mannelijk gpslacht met 10 k 20 woorden
van eiken regel.
De regelen van het vrouwelijke geslacht raet 10 A 20 w. van eiken regel.
De regelen van het onz. geslacht met 10 ^ 20 woorden van eiken regel.
9 Les, 2.n w. in den eersten naamval, en wel 20 voorkomende als w^jr-
lende, 15 als lijdende, 10 als wordende, 10 als zijnde en 10 als aan-
gesprohen.
20 z.n.w. in den 2 naamval. . .
20 z.n.w. in den 3 naamval.
20 z.n.w, in den 4 naamval, zonder en raet een voorstel.
10 Les. 10 volzinnen waarin een lidw. als bepalend en onbepalend
voorkomt.
11 Les. 25 bijv. nw. die eene hoedanigheid aanduiden met een z.n.w.
20 die eene eigenschap ea 15 die eene stof aanduiden.
20 bijv. nw. en bij ieder een z.n.w. vanhet man., vr. eu onz. geslacht,
in den 4 naamval
25 bijv. nw. met een z.n.w in de 2 trappen van vergelijking.
10 bijv. nw. die den vergrootenden trap vormen door der aan te nemen.
4 die eene onregelmatige vergrooting hebben.
10 die geene vergrooting dulden.
20 die onveranderlijk zijn met een z.n w.
20 die nis z.n.w. gebezigd worden.
12 Les. Verbuigt: de oude zwakke grijsaard, de arme brave vrouw,
het groote zwarte paard.
13 LeSt 20 voorbeelden waarin het voorn.w. in de plaats van het z.n.w.
gesteld is.
Schrijf de pers. v.n.w. eerst in den 2 naamval enk. en meerv. dan in
den 3 en dan in den 4 naamval.
14 Les. 20 volzinnen waarin het wederk. v.n.w. zich voorkomt, en
20 waarin hem, hun of haar voorkomt.
20 volzinnen waarin een pers. en een bezittelijk v.n.w. voorkomen.
Verbuigt: mijn, uw, zijn vriend, — mijne, uwe, zijne zuster, — en
mijn, uw, zijn boek.
15 Les. 20 volzinnen waarin een vragend, aanwijzend en een betrek-
kelijk v.n.w. voorkomt.
16 Les 50 ongl.vl. werkwoorden, 40 g^ijkvl. en 20 onregelm. werkw.
20 gel.vl. werkwoordea die in den onbep. wijs ij ea 20 die <?ï hebben.
20 gel.vl, werkwoorden <Ue in het verl. deelw. op t eu in den onvolm,
verleden tijd op te eindigen en 20 die op d en de eindigen.
17 Les. 25 Volzinnen waarin een bedr. , lijd. , onz, , wederk. , en een
onpers. werkwoord voorkomt.
18 Les. 5 voorb. waarin bet ww. staat in de 4 wijzen en in al de tijden.
19 Les. Schrijf het hulp. ww. hebben, zijn, worden in de eerste pers.
enk. eu meerv. in alle tijden, dan in de 2 jjers. en <lan in dc 3 pers.