Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
dcnzeirden uitgang tc verbinden; ook bij het afbreken van een woord
aan 't eind van een regel.
Het arkappingsteeken (') bij 't wegtaten van een of meer letters van
een woord.
Het verwijzingsteeken -f) om naar eene noot onder aan de blad-
zijde te verwijzen.
Het deelteeken (••) om twee klinkers, die afzonderlijk worden uitge-
sproken, te scheiden.
Het zamentrekkingsteeken (*) dat dient om aan tc duiden, dat twee
lettergrepen tot eene worden zaamgetrokken.
Het scberp-toonteeken [') op woorden of letters, waasop de klem-
toon moet vallen ; één, vóór, Ze(lekïi).
WOORDEN WELKE MET GESCHREVEN WORDEIV.
Abeeléo
alleentg
aireede
Rarbeelen
beenen
beeren
beeten {zelere
wortel)
begeeren
beheeren
bekkeneelen
beleedigcn
bezeeren
bleeken
bleeker
bleeten
bordeelen
hreede
Deegen {van deeg)
deelen
deesem
dweepen
Eeden eed)
eene
eere
Filomeelen
ileemen
fluweel en
Gareelen
gedwee
geene {niet eene)
geeren
geeselen
geheele
gem eene
gerefder
graveelen
greelen
greenen
Heele,
leelijk
lee men
leenen
leeper
leeren
Meede,mee' zelere
dranh)
{mede, met)
beelen {genezen) meenen
{helen, warig
heescher
heeten
beeter
houweelen
Ju weelen
Karaeelen
kaneelen
kanteelen
knpiteelen
kasteelen
keereu
meezen
Naweeën
Oordeelen
Paneelen
penseelen
prieel en
Ree, reede, reeder
{rede, redevoe*
ring)
reepen
Scbeede
keeten {van ieet) scheenen
{ieten, ketting) scheeve
kleeden
kleemen
kleene
korbeelen
krakeelen
kreete
kwarteelen
kweeken
Leek en
slee {»lede)
smeeken
steenen
{itentn, zuchten)
atreelen
Tafereelei^
teeder
teeken
teekenen
teenen
teer/», teeder
theezen, {pluizen)
tooneelen
truweelen
Veeme
veenen
veeten
verraeeren
vleeschen
voordeelig
vree, {'vrede)
vreezen
Weeken {zachtma-
ien)
{tfehen, 7 dagen)
weemoedig
we enen
Wfezen {ouderloot)
{wezen, zijn)
wijsgeeren
wondheeler
wreeder
Zeemen
zeepen
zeeren
zeever
zweemen
zneepen
zweeten.