Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
De hoofdgetallen dienen om eene bepaalde hoeveelheid aan Ie duiden;
200 als: een, drie, twintig, enz.
De algemeene telwoorden drukken eene onbepaalde hoeveelheid uil;
zoo als: alle, elk, ieder, eenig, menig, veel, wetnig, geen, enz.
De bijwoorden duiden de hoedanigheid, den tijd en de p/oa/s der wer-
king aan ; zoo als: goed leeren, hard loopen, vroeg opstaan, achter spe-
len, enz.
Zij geven ook eene nadere bepaling aan de bijvoegelijke naamwoorden
en bijwoorden; bijv. zeer schoon, ontzaggelijk sterk,mooi geteekend.
Er zijn verschillende soorten van bijwoorden ; als:
Van plaats: hier, daar, beneden, overal, onder.
Van tijd: heden, morgen, altijd, nooit, onlangs.
Van hoedanigheid s heerlijk, wel, zindelijk.
Van hoeveelheid: weinig, meer, genoeg, te weinig.
Van bevestiging: Jo, zeker, gewis, voorwaar.
Van ontkenning: neen, geenszins, niet.
Van vergelijking: als, even, gelijk.
Van oide: eerst, toen, vooraf.
Van twijfel: mogelijk, welligt, misschien.
Van herhaling: dikwijls, meestal.
En meer andere soorten. Sommige bijw. kunnen door de trappen
van vergelijking verbogen worden.
LES 23.
over de voorzetsels, voegwoorden en tusscnenwerpsels.
De voorzetsels duiden de omstandigheden of betrekkingen aan, welke
de uaam- en werkwoorden op elkander hehben en ook tusschen de naamw.
onderling; bijv. hij loopt in den tuin, op den zolder flcA/er hel huis, voor
de deur. — De man uit den kelder, van deze vrouw, op het huis.
De voornaamste voorzetsels zijn: aan, achter, af, behalve, benevens,
bij, boven, beneden, binnen, buiten, door, in, met, omtrent, onder, op, over,
te, tegen, tot, tusschen, uit, van, voor, volgens, wegens.
Zij worden in twee soorten verdeeld; als: scheidbare en onscheid^
bare, naardat zij al of niet van het werkwoord gescheiden worden.
Van de eerste soort zijn : aan, bij, in, door, met, enz. bijv. aanne-
men, ik neem aan, enz. Men kan dat vernemen door den nadruk, die
hier op hel voorzetsel valt.
Van de andere sooit zijn: be, ont, ant, wan, enz., bijv. ^»edenken, ik
bedenk, enz.
Voegwoorden zijn woorden, welke de betrekking van de eene rede op
de andere aanduiden, of die aan elkander verhinden.
Jan en Piet wandelen-, ik of mijn broeder zal lezen; hij zegt dat/iy
zal komen.