Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
. 16
naamval iels ondergaat; Jan wordt geprezen. Zij worden gevormd uil
bet verleden deelwoord van een bedrijvend werkw. met bet bulpwerkw.
worden o' zijn. Bij die Vervorming wordt het voorwerp des bedrij-
vende werkw. hel onderwerp des lijdenden, en hel onderwerp des be-
drijvenden de bepaling des lijdenden. Ik sla den hond; de kond viordt
geslagen door mij.
De onzijdige werkwoorden duiden eene handeling of werking aan,
die niet op een ander voorwerp overgaat, maar jn den werker zelf be-
sloten blijft; de boom bloeit.
Wederkeerende werkwoorden zijn die, waanan de handelingof werking
tot den persoon die haar verrigl. lerngkeert, hij wascht zich.
Onpersoonlijke werkwoorden zijn die, welke de persoonlijke voor-
naamwoorden ik, gij, hij, niel voor zich dulden , maar slechts in den
derden persoon met het woordje het vervoegd worden, het sneeuwt,
het lust mij. Ook soms zonder het; mij dunkt, ons aunkt.
Bij de vervoeging der werkwoorden moet men acht geven op de
verschillende wijzen »»n tijden.
Er zijn vier wijzen , als , de onbepaalde, de aantoonende, de gebie-
dende en de aanvoegende wijs.
De hoofdtijden zijn drie: de verledene, de tegenwoordige en de toe-
komende. De verledene tijd is drieërlei, als, de onvolmaakt, de vol-
maakt, en de meer dan volmaakt verledene tijd. De toekomende tijd is
tweederlei, als, de eerste en de jweede toekomende tijd.
LES 18.
vervolg der WrBRWOOBDEN.
De onbepaalde wijs steil eene werking onbepaald of algemeen voor,
zonder bepaling van persoon of gelal, maaralleen met aanwijzing van tijd.
De aantoonende wijs stelt eene werking bepaald, slelligvoor, met
aanwijzing van persoon, getal en tijd.
De gebiedende wijs dient om iels te bevelen, te verzoeken of om te
vermanen en op Ie wekken.
De aanvoegende wijs drukt eene werking als twijfelachtig of onzeker,
onder een wensch of eene voorwaarde uil.
De tegenwoordige tijd stelt eene werking voor, die geschiedt in het-
zelfde oogenblik waarin men spreekt; ik lees, gij leert, hij spreekt.
l)e onvolmaakt verledene tijd stelt de werking voor, als wel verleden
in den tijd. waarin men spreekt: maar nog voortdurende in den tijd
waarvan men spreekt; ik zong toen hij nog schreef, gij antwoorddet toen
ik het u vroeg.
De volmaakt verledene tijd stelt eene werking voor als geheel geëin-
digd ; ik heb bemind.
Dameer dan volmaakt verledene tijd stelt eene werking voor als geheel
geëindigd, wanneer eene andere beginlt ik had gegeten toen hij inkwam.
De eerste toekomende tijd stelt tene werking voor, die geschieden
moef in een tijd, die nog aanstaande is: ik zal morgen leeren.