Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
Enkelvoud, O n z ij d i g. Meervoud.
1 Zijn bork, 1 Zqne boeken.
2 Zijns boeks , 2 Zijner boeken ,
3 Zijn boek , 3 Zijnen boeken.
4 Zijn boek. 4 Zijne boeken.
LES 15.
vervolg der voornaamwoorden.
De vragende voornaamwoorden dienen, om naar personen, voorwerpen
of zaken, onderscheiden van andere, te vragen. Zij zijn, me, wat,
welke en hoedanige. Wie vraagt naar personen , wat naar onbezielde
voorwerpen, welke zoowel naar levende als levenlooze , hoedanig naar
de hoedanigheid dier voorwerpen.
Aanwijzende voornaamwoorden zijn zulke, waardoor personen, voorwer-
pen of zaken als met den vinger aangevwjzen worden. Zij zijn: deze,
die, dat, gene, degene, diegene, dezelfde, zulk, zeker, zoodanig, enz.
Veze, dil gebruikt voor diglslbijzijnde of laötstgenoemde personen,
voorwerpen of zaken , — die, dat voor meer verwijderde of eerstge-
noemde , gene, lot afwisseling van dat.
Betrekkelijke voornaamwoorden zijn zulke welke betrekking hebben op
personen, voorwerpen of zaken, van welke te voren reeds gesproken is;
zij zijn: welke, die, wie, dat, wat, bijv. gij zijt de eerste, rfï> mij dit zegt.
Zij hebben het geslacht, getal cn den persoon van de zelfst. Naamw.
op welke zij betrekking hebben ; doch niet hun naamval.
LES 16.
over de werkwoorden.
Werkwoorden zijn woorden, die het worden en bestaan, het werken
cn lijden der personen of zaken aanduiden.
Men onderscheidt de werkwoorden in soorten naar hunne vervoeging
en hunne bet»>ekenis.
Een werkwoord wordt verdeeld in wortel en uitgang. De wortel is
betgeen er overblijft, wanneer men den uitgang en, bij de eenlettergre»
pige w.w. n van hel werkv,'ooYil QU)eeiïi\,leeren, her, leven, leef, doen,doe.
De wortelklinker is die klinker in den wortel, waarop de nadruk valt
verhoovaardigen, aa, begroeten, oe, spreken, e.
De wortelmedeklinker is die welke den wortel sluit; verhoovaardi^en,
■g, begroeïen, t, spre/;eu, k.
Ten aanzien der vervoeging onderscheidt men dne soorten ; als:
ongelijkvloeijende, gelijkvloeijende en onregelmatige werkwoorden.
Omjelijkvloeijende zijn die, welke in de vervoeging van wortelklin-
ker veranderen, cn in het verleden deelwoord op C7i eindigen; als:
vliegen, vloog, gevlogen; lezen, las, gelezen; spreken, sprak, gesproken.
Uitgezonderd: waaijen, woei, gewaaid; vragen, vroeg, gevraagd.
Men onderscheidt drie klassen van ongelijkvloeijende werkwoorden: