Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
In den derden naamval, wanneer daaraan iets gegeven, toegeschikl
aangeboden of ontnomen wordt; bijv. geef uwen vriend dit boek, het
woord vriend slaat dus in den derden naamval.
In den vierden naamval, wanneer het voorkomt als het voorwerp,
waarop de werking van het werkwoord overgaat; bijv. ik zie denman;
het woord man staat dus in den vierden naamval. Ook wanneer vóór
een zeKst. naamw. een voorzetsel si: aan den wand hangen; hier
staat het woord wand in den vierden nasmval.
Het voorzetsel van wordt, in de verbuiging, dikwijls gebe^igd in plaats
van den tweeden en aan in slede van den derden naamval; doch bij
het gebruik dier voorzetsels slaat het zelfst. naamw. in den vierden
naamval.
LES 10.
over de lidwoorden.
Lidwoorden zijn woordjes, die men vóór de zelfstandige naamwoord
den plaalst, om de mindere of meerdere bepaaldheid van hunne betee-
kenis, als ook hun geslacht, getal en naamval aan te wijzen. Een lid-
woord is eigenllijk slechts een lid van het zelfst. naamw., dat daaraan
zijne ware belcekenis geeft.
Zij worden verdeeld in twee soorten , bepalende en onbepalende lid-
woorden.
De bepalende lidwoorden dienen, om bepaaldelijk den persoon of
de zaak die men bedoelt, aan te wijzen: zij zijn, de en het h\]y.geef
mij de pen, het hoek.
Dc onbepalende lidwoorden dienen, om meer algemeen en niet be-
paald een persoon of eene zaak aan te wijzen ; zij zijn een en eene
bijv. geef mij eene pen.
Zij schikken zich in geslacht, getal en naamval, naar de zelfst.
naamw., bij welke zij behooren.
LES 11.
over de bijvoegelijee naamwoorden.
Sijvoegelijke naamwoorden zijn woorden, die eene hoedanigheii of
eene eigenschap der personen, zaken of voorwerpen aanduiden; bijv. de
nuttige koe, een nieuw boek, een ijzeren pot.
Zij schikken zich in geslacht, getal en naamval naar de zelfst.
naamw. waarbij zij behooren, bijv. den braven vader, de brave moeder,
een braaf kind.
Zij hebben twee trappen van vergelijking, den vergrootenden en
den overtreffenden Irap.
De eerste wordt gevormd door achtervoeging van cr, en de laatste
door achtervoeging van st; als, hoog, hooger, hoogst; braaf, braver,
braafst. Piet is zoo groot als Jan; Piet is groofer dan Jan; Piet is de
grootste van allen.