Boekgegevens
Titel: Beknopte schets van de gronden der Nederlandsche taal: in vragen en antwoorden, ten dienste der lagere scholen
Auteur: Backer, H.G. de
Uitgave: Tiel: wed. D.R. van Wermeskerken, 1854 *
2e, verm. en verb. uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2012
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202584
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte schets van de gronden der Nederlandsche taal: in vragen en antwoorden, ten dienste der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
Dat wij hebben.
Dat gij hebbet.
Dat zij hebben.
Meervoudig,
Dat wij zijn.
Dat gij zijt.
Dat zij zijn.
Dat wij worden.
Dat gij wordet.
Dat zij worden.
Onvolmaakt verledene tijd.
Dat ik hadde. Dat ik ware. Dat ik Wierde,
Dat gij haddet. Dat gij wäret Dat gij wierdet.
Dat hij hadde. Dat hij ware. Dat Iii] Wierde.
Dat wij hadden. Dat wij waren. Dat wij wierden.
Dat gij haddet. Dat gij wäret. Dat gij wierdet.
Dat zij hadden. Dat zij waren. Dat zij wierden
Volmaakt verledene tijd.
Dat ik gehad Dat ik geweest Dat ik geworden
hebbe. zij. zij.
Dat gij gehad Dat gij geweest Dat gij geworden
hebbet. zijt. zijt.
Dat hij gehad Dat lüj geweest Dat hij geworden
hebbe. zij. zij.
Dat wij gehad. Dat wij geweest Dat wij geworden
Jiebben. zijn. zijn.
Dat gij gehad Dat gij geweest D^it ff'J geworden
hebbet. zijt. zijt.
Dat zij gehad Dat zij geweest Dat zij geworden
hebben* zijn. zijn.
Meer dan volmaakt verledene tijd^
Dat ik gehad Dat ik geweest Dat ik- geworden
hadde. ware. Avare.
i>at gij gehad Dat gij geweest Dat gij geworden
haddet. wäret. wäret.
Dat hij gehad Dat hij geweest Dat hij geworden
hadde. ware. wäre.
Dat wij gehad Dat wij geweest Dat wij geworden
hadden. waren. waren.
Dat gij gehad Dat gij geweest Dat gij geworden
haddet. wäret. wäret.
Dat zij gehad Dat zij geweest Dat zij geworden
hadden. waren. waren»