Boekgegevens
Titel: Beknopte schets van de gronden der Nederlandsche taal: in vragen en antwoorden, ten dienste der lagere scholen
Auteur: Backer, H.G. de
Uitgave: Tiel: wed. D.R. van Wermeskerken, 1854 *
2e, verm. en verb. uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2012
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202584
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte schets van de gronden der Nederlandsche taal: in vragen en antwoorden, ten dienste der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
deelwoorden op rf of < eindigen, b. v. leeren, leerde, ge-
leerd; straffen, strafte, gestraft.
V. Wat zijn ongelijkvloeijende werkwoorden ?
A. Ongelijkvloeijende werkwoorden zijn zulke, die
in de vervoeging van worlelklinker veranderen, en in
het verledene deelwoord op en eindigen, als: slapen ,
sliep, geslapen; bevelen, beval, bevolen.
V. ^^XiXin onregelmatige werkwoorden!
A. Onregelmatige werkwoorden iX^ü züWg, die, in
een of ander opzi|t, van de regelmalige vervoeging af-
wijken, als: doen, brengen, koopen, enz.
V. Welke regelen heeft men, om de onregelmatige
werkwoorden tc kunnen kennen?
A. Om de onregelmatige werkwoorden te kunnen
kennen , heeft men de volgende regelen, als •
1.) Zulke, diè in de onbepaalde wijs den uitgang n,
in plaats van en, hebben , als: slaan, enz.
2.) Zulke, die in de onbepaalde wijs en in het verle-
dene deelwoord, niet op en, maar'in beide op»
eindigen, b. v. gaan, ging, gegaan, enz.
3.) Die werkwoorden, welke geene gebiedende wijs
hebben, als: kunnen, willen, mogen, moeten.
4.) Zulke werkivoorden, die, in het zakelijke deel
der onbepaalde wijs, geene t hebben, en in den
eersten en derden persoon van den onvolmaakt ver-
ledenen tijd eene t aannemen, b. v. plegen, ik
plagt, hij plagt; denken, ik dacht, hij dacht, enz.
ZEVENTIENDE LES.
V. Hoe verdeelt men de werkwoorden, ten opzigte
hunner beteekenis?
A. Men verdeelt de werkwoorden, ten opzigte hunner