Boekgegevens
Titel: Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Auteur: Vermeij, Albertus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1820
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8926
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202188
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hollandfche Spraakkunst. 49
t
Sfl^Vr. De morden hij, veel, van?
A. Zijn goed.
13. Vn Mijn?
A. Niet goed, dit moet zijn mij/
14. Vr. Omdat . . . ? ^
; A. Mijn een bezittelijk voornaamwoord is en
hier niet te pas komt.
15. Vr. Nu verder?
A. -mijnm deugt niet; voor eerst ofndat dit
woord met eenc groote M moet beginnen, de-^
wijl hier een nieuwe volzin begint; en.omdat
broeder, dat er op volgt, in den eerften naam-
val ftaat, moet het zijn Mijn broeder^
16. Vr. Gaat ook met?
A. Zijn goed.
17. Vr. Plaifir? ,
A. Niet goed, men fchrijft thans pleizier fzoo
ook fchrijft men nu niet meer comptoir maar
kantoor,)
18. Vr. Naar . • .
A. Goed.
19. Vr. Het.. .
A. Niet goed — dat nloet zijn deo
ao. Vr. Omdat . . "
A. School van het vrouwelijk'geflacht is.
. Genoeg. — Gij zult het overige van dezen vol-
zin nu ook wel verbeteren^ kunnen, ik verzoek
D m