Boekgegevens
Titel: Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Auteur: Vermeij, Albertus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1820
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8926
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202188
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
ïlollandfehe Spraakkutisi,
33
DERTIENDE LES.
Vr. Vervoeg nu eens het bedrijvend werkwoord
fien; \
A. Aantoonende wijs.
Tegemv. tijd,
ik zie.
Gij ziet.
Hij ziet.
Wij zien;
Gij ziet.
HA) zier."
Onvolm, verh tij^
Ik zag.
Gij zaagt/
Hij zag. '
Wij zagen.
Gü zaagt.
Zij zagen.
Volm. verl. tijd.
Ik heb
Gij hebt
Hij heeft
Wij 'hebbea
Gij hebt
Zij hcbbcH
gezien.
Meer dan volm, vert. tijd.
Ik had
Gij hadt
Hij liad
Wij hadden
Gij hadt
Zij hadden
gezien.'
zien;
Toek, tijd.
Ik zal
Gij zult
Hii zal
Wij zullen
Gij zult
Zij zullen
Gebiedende wijs.'
Etikelv.
Zie.
Meerv.
. " Ziet.
C
Aui'!