Boekgegevens
Titel: Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Auteur: Vermeij, Albertus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1820
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8926
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202188
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
HoUandfche Spraakkunst, 47
TIENDE LES.
1. Vr. Weet gij ook wat gelijkvloeijende en wat
ongelijkvloeijende werkwoorden zijn?
A. Gelijkvloeijende werkwoorden zijn de zoo-
danige , die in de vervoeging niet anders dan dea
uitgang veranderen, en ongdijkvloeijend» zijn de
zoodanige, welke in de vervoeging den wortel-,
klinker veranderen.
2. Vr. Helder dit eens met een voorbeeld^ op?
A. Zoo zijn de werkwootden beminnen, re-
kenen, keren enz. gelijkvlocijend, omdat mea
zegt: ik bemin, ik beminde, ik heb bemind, —
ik reken, ik rekende, ik heb gerekend, — ik
leer, ik leerd», ik heb geleerd, enz. maar de
werkwoorden lezen, fchrijven, vallen enz. zijn
ongelijkvlaeijend, omdat men zegt: ik .lees, ik
las, ik heb gelezen, — ik fchrijf, ik fchreef^
ik heb gefchreven, — ik val, ik viel, ik ben
gevallen, enz.
3. Vr. Waaruif kan tnen ontdekken of een
werkwoord gelijkvloeijend of ongelijkvloeijend is?
A. Uit het verledene deelwoord van het werk-,
woord.
4. Vr, Hoe dan?
A. De verledene deelwoorden van gelijkvloei-,
jendi werkwoorden eindigen op eene d of op
eena