Boekgegevens
Titel: Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Auteur: Vermeij, Albertus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1820
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8926
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202188
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Holiandfchs Spraakkunst. ig
7. Vr. Wanneer ftaat een zelfftandig mm-
yioèrd in den eerjlen naamval?
A. Als het voorkomt:
1. Als werkende, bij voorbeeld; de maa
/preekt,
2. als lijdende, bij voorbeeld: de man lijdt
pijn.
3. als wordende^, bij voorbeeld: de njM
wordt rijk.
4. als zijnde, bij voorbeeld: de man w goed.
5. als hebbendie, bij voorbeeld: de man heeft
geld, en
6. als aangtfproken, bij voorbeeld: mijn
Heer! ....
8. Vr. Wanneer fiaat een zelfjlandig naam^
foord in den tweeden naamval?
A. Wanneer twee naamwoorden bij elkander
gevoegd zijn, oni het cene door het andere te
bepalen of tot eene bijzondere foort te maken,
iTÏj voorbeeld: de zoon, Cwelke zoon?) des
koopmans: een ring, ( welke ring ? ) een gouden
ring, of een ring van goud; roggenr brood, of
brood van rogge, enz. ~ Zoo lioort men op
fommige plaatfcn neg wel eens zeggen, Pietin
Jan — jannen zoon, dat is: Jan van Piet
de zoon van Jtm, enz.; de woorden koopman,
goud, rogge. Piet en Jan ftaan dus in den
tweeden naamval. 9. Vr.