Boekgegevens
Titel: Volledige leercursus der Fransche taal door J.N. Valkhoff
Auteur: Valkhoff, J.N.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1898
15e, herz. druk
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1037
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202104
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Volledige leercursus der Fransche taal door J.N. Valkhoff
Vorige scan Volgende scanScanned page
•3
Vijfde Les.
Leer 't volgende, dan kent gij den geheelen tegenw. tijd oiprésent
van het werkw. hebben of avoir.
Wij hebben,
gij hebt,
zij (mannen) hebben,
zij (vrouwen) hebben,
Jan,
Willem,
Marie, Mietje,
Antje,
Jan heeft,
Jan en Marie hebben,
gegeten,
Nu zullen we een vrouwelijk naamwoord in 't Fransch verbuigen,
't woord sœur, zuster.
Enkelvoud,
Vrouwelijk,
le nv. de zuster,
26 nv. der zuster of van de zuster,
3e nv. de(r) zuster of aan de zuster,
4e nv. de zuster.
Deze verbuiging is geheel regelmatig; er heeft geene samentrek-
king plaats zooals bij 't manlijk. Van en aan worden door de en à
uitgedrukt, het lidw. la blijft onveranderd.
Verbuig op dezelfde wijze: la reine, la voisine, la viande, la
vache en la chambre, de kamer.
nous avons,
vous avez,
ils ont.
elles ont.
Jean.
Guillaume.
Marie.
A nnette.
Jean a.
Jean et Marie ont.
mangé.
Singulier.
Féminin,
la sœur,
de la sœur,
à la sœur,
la sœur.
Maak nu de volgende opstellen:
13-
De zuster van eene koningin. De zuster der ko-
ningin. Maria, de zuster der koningin. Jan, de broe-
der des konings. Ik heb de zuster der buurvrouw