Boekgegevens
Titel: Vervolg van het algemeen leesboek en ordelijk onderwijs, voor de eerste behoefte der kinderen, in hunne onderscheidene omstandigheden en betrekkingen
Auteur: Thurn, Wilhelm Christoph
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, van de Grampel en Hanssen, 1825
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8611
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202086
Onderwerp: Pedagogiek: ethische vorming (pedagogiek)
Trefwoord: Ethische vorming, Socialisatie (bedrijven), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vervolg van het algemeen leesboek en ordelijk onderwijs, voor de eerste behoefte der kinderen, in hunne onderscheidene omstandigheden en betrekkingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
jjo het KIND, im zijn GEDRAG JEGENS
eene kleine muis. Zij brengen geene levende
jongen ter w^creld, maar wel eijeren, die zij,
of zelve uitbroeden, of dit door de zonne-
warmte laten doen. Zij hebben allen almede
rood en warm bloed. Ook deze gebruikt de
mensch tot voedfel en kleeding.
Onder de derde klasfe betrekt men de vis-
fchen: zij leven alleen in het water, en hebben
rood, doch koud bloed. Zij fchieten eijeren,
door middel hunner kuit, welke eijeren door
de zon worden uitgebroed. Zij zijn zeer me-
nigvuldig. Eenige leven in zeeënwelke zeef
koud zijn; andere daarentegen in wateren,
welke fterk door de zon verwarmd worden.
Eenige zijn verbazend groot, andere zeer
klein. Sommige voeden zich eeniglijk mee
andere visfchen. Vele andere weder alleen
met waterplanten en llib. Alle visfchen zijn
den mensch meer of min nuttig. Men eet
vele derzelve versch, gezouten, of gedroogd.
Men bakt zelfs wel brood van visch. Hun
vet gebruikt men tot olie. Hunne graten die-
nen velen menfchen tot naalden en wapentuig.
Tot de vierde klasfe betrekt men die die-
ren , welke zoowel in het water als op de
aarde kunnen leven.. Zij zijn niet bevallig
van gedaante, en meestal vergiftig. Eer ige
hebben pooten, andere niet; en fommige
zwemmfen door middel hunner vliesvinnen,
gelijk de visfchen. Men vindt er wel van veer-
tig voet lang; andere weder zijn zeer klein.
Zij leggen eijeren en hebben koud, rood bloed.
De mensch weet van dezelve almede zyn voor-
deel te trekken: zélfs verlcheidene Hangen
dienen tor artfenij, en haar vel tot overtrek-
fels; van de fchalen der fchildpadden maakt
men