Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
SO. — PETRUS.
(Hand. 8 : 14—25; 9 : 31—II : 18; 12 : i—19; Gal. 2 : 11—21.)
Onder de twaalf apostelen is Petrus de man, van wien ons het
meeste bekend is. Bij de uitstorting des Heiligen Geestes sprak hij
tot de menigte. Hij genas, in tegenwoordigheid van Johannes, den
kreupele bij de Schoone-poort des tempels. Door hem werden Ananfas
en Saffira bestraft. — Toen door de prediking van Filippus velen te
Samaria geloofden, werden Petrus en Johannes daarheen gezonden
door de apostelen. Daar gekomen zijnde, legden zij den geloovigen
de handen op, die daarop den Heiligen Geest ontvingen. Toen een
zekere toovenaar Simon, wien vroeger allen aangehangen hadden,
dit zag, bood hij hun geld aan, indien zij ook hem de macht, om den
Heiligen Geest mede te deelen, wilden geven. Petrus zeide echter tot
hem : Uw geld zij met 11 ten verderve. Bekeer tc, opdat gij vergeving
moogt ontvangen. Tegenover het onheiHge was Petrus zeer gestreng,
gelijk wij reeds zagen bij Ananfas en Saffira. — Op zijne rondreizen
door het Joodsche land kwam Petrus ook te Lydda. Daar genas hij
een man, Enéas genaamd, die lam was en reeds acht jaren te bed
gelegen had. Dit bracht velen tot het geloof in Christus, in wiens
naam hij dezen kranke genezen had. — Te Lydda kwamen twee
discipelen uit het naburige Joppe, hem verzoekende, met hen te gaan.
Te Joppe was eene discipehn, Tabi'tha of Dorcas genaamd, die
zeer veel voor armen en weduwen deed, gestorven en er was alge-
meene treurigheid. Petrus ging mee en, na gebeden te hebben, zeide
hij: Tabitha sta op! Terstond werd zij weer levend. Dit werd bekend
door geheel Joppe en velen geloofden in den Heer. Petrus bleef daar
nu vele dagen bij eenen zekeren Simon, eenen lederbereider. — Van
daar liet Cornelius, een hoofdman over honderd te Cesaréa, hem,
op Gods bevel, halen. Deze Cornelius was godvreezende, deed vele
aalmoezen en bad geduriglijk tot God. God openbaarde hem nu, dat
hij van Petrus woorden der zaligheid zou hooren. Nu was Petrus een
strenge Jood, die als zoodanig niet tot een Heiden wilde gaan. Voor-
dat de boden van Cornelius tot hem kwamen, toonde de Heer hem
echter in een gezicht, dat hij wat God gereinigd had niet onrein ach-
ten mocht. Hij ging nu mee, predikte aan Cornelius het Evangelie
van Christus, en toen ook Cornelius en de zijnen den Heiligen Geest
ontvangen hadden, werden zij gedoopt. — Te Jeruzalem nam men
het Petrus kwalijk, dat hij in het huis van een Heiden ingegaan was
en met hem gegeten had. Toen Petrus echter alles verhaalde wat er
geschied was, verheerlijkte men God. — Petrus was echter meer
bepaald de apostel der Joden, gelijk Paulus die der Heidenen. Van
zijne verdere lotgevallen weten wij niets met zekerheid, dan dat
hij, door een Engel uit de gevangenis verlost, naar Cesaréa gegaan
is en ook te Antiochie is geweest. — Men zegt, dat hij te Rome, met
het hoofd naar beneden, gekruisigd is. —• Jes. 56 : i; Hand. 10 :
34, 35; I Petr. 4 : 14.--Gez. 157 : i; Ps. 37 : 9; Gez. 191 : 5, 6.