Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
46. — PAULUS' EERSTE ZENDINGSREIS.
(Hand. ii : 19—30; 12 : 25; 13; 14; 15 : i—29.)
Te Antiochie, de hoofdstad van Syrië, was ook eene bloeiende
gemeente ontstaan. De discipelen werden daar het eerst Chiistenen
genoemd. Barnabas was daar met Paulus, dien hij van Tarsen ge-
haald had, een geheel jaar werkzaam. Daarna werden zij afgevaar-
digd om de liefdegaven der gemeente, ten behoeve der broederen
in Judéa, naar Jeruzalem te brengen. Teruggekeerd zijnde, werden
zij uitgezonden om aan de Heidenen het Evangelie te verkondigen.
Johannes Marcus, een neef van Barnabas, ging mede. Te Seleu-
cië scheepten zij zich in naar het eiland Cyprus, waar zij eerst te
Salamis en later ook te Pafos predikten. Daar kwam de stadhouder
Sergius-Paulus tot het geloof, terwijl een zekere toovenaar Elymas
ofBar-Jezus, wegens zijne tegenwerking, met blindheid gestraft
werd. — Van Cyprus gingen zij naar Perge in Pamphilie, waar Jo-
hannes Marcus hen verliet, en verder naar Antiochie in Pisidie. Hier
predikten zij eerst in de synagoge, maar toen de Joden, uit nijdig-
heid, Paulus tegenspraken en lasterden, wendden zij zich tot de Hei-
denen, van welke velen geloofden. De Joden wisten toen een oploop
te verwekken en Paulus en Barnabas uit het land te verdrijven. —
Zij vertrokken daarop naar Iconium, maar toen sommigen, zoowel
Heidenen als Joden, hen trachtten te steenigen, namen zij de vlucht
naar Lystre in Lycaonie. Daar genas Paulus een kreupele, hetgeen
zooveel opzien baarde, dat de menschen hen voor goden aanzagen.
Zij noemden Barnabas Jupiter en Paulus, omdat hij het woord deed,
Mercurius. De priester van Jupiter wilde zelfs ter hunner eere offe-
ren , maar zij beletten dit en wekten de schare op, om zich tot den
levenden God te bekeeren. Het veranderde echter spoedig. Er 'kwa-
men Joden uit Antiochie en Iconium, die de menigte opruiden, met
dit gevolg, dat men Paulus steenigde en hem buiten de stad sleepte,
meenende, dat hij dood was. Hij leefde echter nog en ging den vol-
genden dag met Barnabas naar Derbe, waar zij het Evangelie predik-
ten en veie discipelen maakten. Van daar keerden zij langs denzelt-
den weg weer terug naar Antiochie in Syrië, overal de discipelen
vermanende in het geloof te blijven, en in elke gemeente, met op-
steken der-handen, ouderlingen aanstellende. Te Antiochie terugge-
komen, vertelden zij wat groote dingen God met hen gedaan had, en
bleven daar een geruimen tijd. — Te Antiochie bestond de gemeente
grootendeels uit gewezen Heidenen. De Christenen uit de Joden
wilden echter, dat dezen naar Joodsche wijze leven en ook de voor-
schriften der Joodsche wet onderhouden zouden. Op eene kerkverga-
dering te Jeruzalem, waar Paulus en Barnabas en eenige anderen
samen waren met de apostelen, werd nu besloten, dat dit niet noodig
was, maar dat men zich onthouden zou van hetgeen den afgoden
geofferd was en van bloed en van het verstikte en van hoererij. —
Hebr. 13:16; Rom. 3 : 29; i Petr. 2:12.--Gez. 147 : 2; Ps. 96 : 2 : Gez. 31:6.