Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
45- — PAULUS' BEKEERING.
(Hand. 7 : 58; S : i—3; 9 : i—30: 22 : i—21; Gal. i : 13—24.)
Bij de steeniging van Stéfanus was 00k een jonge farizeër, een
leerling van Gamaliel, geweest. Hij heette Saulus (ook wel Paulus)
en was een heftig vijand van de discipelen des Heeren. Toen er nu,
na den dood van Stéfanus, te Jeruzalem eene • groote vervolging
tegen hen ontstond, ging hij in hunne huizen en haalde daar zoo-
wel mannen als vrouwen uit, die hij overleverde in de gevangenis.
Dit was hem echter nog niet genoeg. Ook in Damascus, eene stad
in Syrië, waren reeds discipelen. Met brieven van den hoogepriester
aan de synagogen te Damascus vertrok Saulus nu derwaarts, om de
Christenen, die hij daar zou vinden, als gevangenen naar Jeruzalem
te brengen. — Dicht bij Damascus gekomen, zag hij plotseling een
hemelsch licht, dat hem omscheen. Van schrik ter aarde vallende,
hoorde hij eene stem: Saul! Saul! wat vervolgt gij 7nij! Hij vroeg
nu : Wie zijt gij, HeereHem werd geantwoord : Ik ben Jezus,
dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te
slaan. Bevende zeide Saulus toen: Heere! wat wilt gij dat ik doen
zal"! Hij voelde zich dus overwonnen. Hierop zeide de Heer tot hem:
sta op en ga in de stad en u zal aldaar gezegd worden wat gij
doen moet. — Ook zijn reisgenooten waren zeer verbaasd. Zij hoor-
den wel de stem, maar zagen niemand. Toen Saulus opstond, kon
hij niets zien, want hij was bÜnd geworden. Zoo kwam hij te
Damascus. — Daar woonde een Christen, met name Ananias.
Toen Saulus nu drie dagen blind geweest was en al dien tijd gegeten
noch gedronken had, gaf de Heer in een gezicht aan Ananias last
om Saulus te bezoeken, terwijl Hij aan Saulus, toen hij bad, te
kennen gaf, dat Ananias komen zou en hij weer ziende zou worden.
Ananias had van Saulus gehoord en verwonderde zich er over, dat
hij tot zulk een vervolger gezonden werd. De Heer openbaarde hem
echter, dat Saulus een ijverig prediker van het evangelie zou worden.
Hij ging nu naar Saulus en de handen op hem leggende, zeide hij:
Saul, broeder! de Heer heeft inij gezonden, 7iamelijk Jezus, die u
verschene7i is op de7i weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende
671 met den Heiligen Geest vervuld zoudt ivorden. Terstond werd deze
nu weer ziende en liet zich doopen. — Saulus bleef nog eenige
dagen te Damascus en predikte in de synagogen Jezus Christus als
den Zoon van God. Allen verwonderden zich daarover en de Joden
besloten hem te dooden, Joch de discipelen hielpen hem des nachts
ontvluchten. — Na drie jaren zich in Arabie afgezonderd te hebben,
ging hij naar Jeruzalem. Daar wantrouwden de discipelen hem eerst,
maar een zekere Barnabas werd zijn voorspraak. Ook daar beleed
hij openlijk den Christus, en toen men hem weer zocht te dooden,
geleidden de broeders hem naar Cesaréa, van waar hij naar zijne
geboortestad Tarsen ging. — Mare. 13 ; 13; i Tim. i : 12, 13; Gal. i :
ji, 12.--Ps. 10 : 9; Gez. 156 : i; Ps. 130 : 2.