Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
42. — 'S HEEREN HEMELVAART.
(Matth. 28 : 16—20; Marc. 16 : 19, 20; Luk. 24 : 50—53; Hand, i : i—12.)
De verschijning aan meer dan 500 discipelen tegelijk heeft hoogst-
waarschijnlijk plaats gehad op een berg in Galiléa. Daarheen had
Jezus Zijne discipelen bescheiden. Toen de elf apostelen Hem zagen,
baden zij Hem aan, maar sommige anderen twijfelden nog, of Hij
het wel was. Bij hen komende, zeide de Heer tot Zijne discipelen:
AIij is gegeven alle macht in hemel e7i op aarde. Gaat dan henen,
onderwijst al de volkeri, dezelve doopende in den naam des Vaders,
des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles
wat ik u geboden heb. En ziet, ik be7i 77iet ulieden al de dagen,
tot de volei7tdi7ig der waereld. Hiermede wees de Heer hun, wat
zij voortaan te doen hadden, waar zij de kracht daartoe vinden
konden en wat hun daarbij tot troost kon dienen. Nog altijd is het
de roeping van 's Heeren discipelen, aan alle volken het Evangelie
te prediken, Daarom is ook de zending onder de heidenen zoo noo-
dig. — Uit Galiléa begaven de apostelen zich weer naar Jeruzalem.
Veertig dagen waren nu na 's Heeren opstanding voorbij gegaan,
en gedurende al dien tijd had Hij herhaaldelijk zich met vele ge-
wisse kenteekenen aan de Zijnen vertoond als diegene, die dood
geweest was, maar nu leefde. Bij die gelegenheden sprak Hij met
hen over de dingen, die het koninkrijk Gods aangingen en die zij
weten moesten, wanneer Hij niet meer bij hen zou zijn. — Op den
veertigsten dag , toen Hij met hen vergaderd was, leidde Hij hen
buiten de stad, in de richting van Bethanië, naar den Olijfberg.
Hij gaf hun bevel, dat zij te Jeruzalem moesten blijven totdat zij
den Heiligen Geest zouden ontvangen, van welken Hij hun gespro-
ken en dien Hij hun beloofd had. Die belofte zou over weinige
dagen vervuld worden. Terwijl zij zoo samen waren, vroegen Zijne
discipelen Hem, of Hij in dien tijd het koninkrijk van Israël weer
oprichten zou. De Heer antwoordde daarop, dat het hun niet toe-
kwam, de tijden en gelegenheden te weten, die de Vader in Zijne
eigene macht gesteld had. Maar — liet Hij er op volgen, want
dat mochten en moesten zij weten — gij zult 07it%)angen de kracht
des Heiligen Geestes, die over u komen zal; en gij zult mijne ge-
tuigen zijn, zoo te Jeruzale7n als in geheel Judéa en Samaria e7i
tot aan het uiterste der aarde. Dit zeggende hief Hij zegenend
Zijne handen over hen op en tegelijk werd Hij opgenomen, daar
zij het zagen, en eene wolk nam Hem weg van hunne oogen.
Terwijl zij Hem aanbiddend nastaarden , verschenen hun twee Enge-
len , die zeiden: Gij Galilésche mannen! wat staat gij en ziet op
7Mar den hemelt Deze Jezus, die van u opge7iomen is in den hemel,
zal alzoo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zie7i
henenvaren. — Door deze boodschap vertroost, keerden zij met groote
blijdschap naar Jeruzalem terug. — Matth. 28 : 20; Col. 3:1,2.
Filipp. 3 : 20. - Gez. 144 : i; Ps. 47 : Gez. 3 : .