Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
36. — GETHSÉMANK.
(Matth, 26 : 36—56; Mare. 14 : 32—52; Luk. 22 : 39—53; Joh. 18 : i—12.)
De Heer begaf zich nu met Zijne discipelen, over de beek Kedron,
naar den Olijfberg. Aan den ingang van den hof Gethsémané liet
Hij acht discipelen achter, terwijl Hij Petrus, Johannes en Jacobus
met zich nam. Toen begon Hij droevig en zeer beangst te worden
en zeide tot dit drietal: Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood
toe; blijft hier en waakt met mij. De Heer ging daarna alleen een
weinig verder, viel op Zijn aangezicht en bad: Mijn Vader, indien
het mogelijk is, laat deze drikbeker van mij voorbij gaan ! doch niet
gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt. Nu keerde de Heer tot de drie
discipelen terug, doch, hen slapende vindende, maakte Hij hen wak-
ker en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met tnij waken 1
Waakt en bidt, opdat gij niet iti verzoeking komt; de geest is wel
gewillig, maar het vleesch is zwak. — Ten tweeden male zonderde
Jezus zich nu af. Zóó zwaar was Zijn strijd, dat Zijn zweet werd
gelijk groote droppelen bloeds. Ook nu bad Hij: Mijn Vader, indien
deze drinkbeker van tnij niet kan voorbij gaan, tenzij dat ik hem
dritike. Uw wil geschiede! Bij Zijne discipelen terugkomende, vond
Hij hen weer slapende. Zonder hen te wekken ging Hij wederom
tot het gebed. Door dit gebed gesterkt, wekte Hij nu Zijne disci-
pelen en zeide tot hen: Ziet, de ure is gekomen en de Zoon des
menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. Staat op,
laat ons gaan; ziet, hij is 7iabij, die mij verraadt. — Terwijl Hij
nog sprak, kwam er eene groote schare, gewapend met zwaarden
en stokken, gezonden door de overpriesters en door Judas geleid.
Deze had hun gezegd, dat zij den persoon, dien hij kussen zou,
gevangen moesten nemen. Hij ging nu terstond naar Jezus toe, zeide:
Wees gegroet. Rabbi! en kuste Hem. De Heer sprak toen tot hem:
Vriend, waartoe zijt gij hier ? en liet er hoogernstig op volgen:
Judas! verraadt gij den Zooti des menschen met een kus 1 Daarna
wendde Hij zich tot de schare met de vraag: Wien zoekt gij ? Op
hun antwoord: Jezus den Nazarener; zeide Hij: Die ben ik, maar
als gij mij zoekt, laat dan mijne discipelen vrijelijk henengaan. De
schare werd door deze daad des Heeren zóó ontsteld, dat de Heer
nogmaals vragen moest, wien zij zochten. Toen Hij zich nu wederom
tot hunne beschikking gesteld had, namen zij Hem gevangen en
bonden Hem. Petrus, dat ziende, trok terstond zijn zwaard en sloeg
daarmede een dienstknecht van den Hoogepriester, Malchus ge-
naamd, het rechteroor af. De Heer bestrafte Petrus hierover, maar
gaf tevens opnieuw het bewijs, dat Hij ook Zijne vijanden liefhad,
toen Hij terstond den gewonde genas. — Al de discipelen namen
daarna de vlucht, uit vrees, dat ook zij gevangen genomen zouden
worden. Van al de Zijnen verlaten, werd de Heer toen, gebonden,
naar Jeruzalem gebracht. — Hebr. 5 : 7—9; i Petr. 5:8; Efez. 5:1,2.--
Gez. 119 : 2; Ps. 5 : 2: Gez. 120 : 1, 2.