Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
33- — FARIZEËN EN SCHRIFTGELEERDEN.
(Matth. 21 : 23—22 : 22 ; Marc. 11 : 27—12 : 17; Luk. 20 : 1—26.)
Jezus had, zooals wij zagen, den tempel wederom gereinigd en
ook vele kranken genezen. Toen Hij nu weer van Bethanië te Jeru-
zalem gekomen was en in den tempel leerde, vroegen Hem de schrift-
geleerden en oudsten des volks, door welke macht Hij deze dingen
deed en wie Hem die macht gegeven had. De Heer zeide hierop:
Ik zal u ook eene vraag doen: De doop van Johannes, was die uit
den hemel of uit de menschen ? Zij wisten niet, wat zij ten antwoord
moesten geven. Zij durfden niet zeggen: uit de menschen; want al
het volk hield Johannes voor een profeet. En als zij zeiden:
uit den hemel; dan zou Jezus hun kunnen vragen: Waarom hebt
gij hem dan niet geloofd? Zij antwoordden daarom: Wij weten het
niet. Hieruit bleek hunne oneerlijkheid. Jezus wilde hun nu ook
geen antwoord geven op hunne vraag. Zij zouden Hem immers toch
niet gelooven. — Jezus verhaalde nu de gelijkenis der twee zonen.
Beiden beval de vader, dat zij in den wijngaard moesten gaan
werken. De een zei: Ik wil niet; maar, berouw krijgende, ging hij
toch. De ander antwoordde: Ik ga; maar hij ging niet. Aan den
eerste waren de tollenaars en de zondaars gelijk, aan den laatste
de farizeën en schriftgeleerden. Daarom zeide Jezus, dat de tolle-
naars en zondaars hen voor zouden gaan in het koninkrijk der
hemelen. — Verder sprak Jezus nog eene andere gelijkenis. Een
zeker heer had een wijngaard, dien hij verhuurde. Toen de oogst
gekomen was, zond hij zijne dienstknechten om de vruchten. De
huurders sloegen den eenen dienstknecht, doodden den anderen en
steenigden den derden. Eindelijk zond de heer zijnen zoon. Ook
dezen doodden zij, meenende, dat, als zij den erfgenaam doodden,
zij den wijngaard in eigendom zouden kunnen behouden. De heer
strafte hen echter hiervoor en gaf den wijngaard aan anderen. Jezus
liet hierop volgen, dat het koninkrijk Gods ook van de Joden weg-
genomen en aan anderen gegeven zou worden. — Eene derde ge-
lijkenis was die van een bruiloft, die door een koning bereid was.
De genoodigde gasten wilden niet komen en behandelden 's konings
dienaren smadelijk, maar ontvingen daarvoor ook eene gestrenge
straf. In hunne plaats werden nu anderen genoodigd. — De farizeën,
die dit alles hoorden, werden zeer toornig en zochten Jezus door eene
strikvraag te vangen. Zij lieten Hem vragen, of men den keizer be-
lasting mocht en moest geven of niet. Zei Jezus nu ja, dan zouden
de Joden, die de Romeinen haatten, toornig pp Hem worden; zei Hij
eehter neen, dan zou men Hem kunnen aanklagen van opruiing tegen
den keizer. Jezus liet zich nu een penning brengen en vroeg, wiens
beeld daarop stond. Men antwoordde: des keizers. Welnu, zei Jezus,
geeft dan den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is. Van
verwondering over dit treffend antwoord zwegen zij stil. — Matth,
28 : 18; Efez 4 : 25: Rom. 13 : 7. — P.s. 15 : i, 2; Gez. 65 ; 3 —5 ;Ps, 19 : 6.
VANrVEEN, Bijb. Gesck. I[. 7e druk. 3