Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
3o — OP WEG NAAR JERUZALEM.
(Matth, ig : 3—20 : 28: Marc. 10 : 2—45; Luk. 18 : 15—34.)
Om de opmerkzaamheid Zijner vijanden te ontgaan, begaf Jezus
zich nu naar Efraim, waar Hij hoogstwaarschijnlijk enkele weken
gebleven is, om in stil verkeer met Zijne discipelen, hen voor te
bereiden tot den arbeid, dien zij te doen zouden hebben, wanneer
Hij niet meer bij hen zou zijn. — Eindelijk naderde de tijd, dat de
Heer zou lijden. Het paaschfeest was nabij en Jezus begaf zich met
Zijne discipelen naar Jeruzalem. Op weg daarheen had Hij nog ver-
schillende ontmoetingen. — Zoo kwamen enkele moeders met hunne
kinderen tot Jezus, opdat Hij die zegende. De discipelen, die juist
met den Heer een belangrijk gesprek voerden, bestraften de moeders,
omdat zij hen daardoor hinderden. Jezus nam hun dat zeer kwalijk
en zeide: Laat de kinkerkeris tot 7nij komen en verhindert ze niet,
want derziilken is het koninkrijk Gods. Tevens drong Hij aan op
een kinderlijken zin als eerste vereischte voor Zijne discipelen, om
deel te hebben aan Zijn koninkrijk. Daarna nam Hij de kinderen in
Zijne armen en zegende hen. — Een weinig later kwam een jong
schriftgeleerde, die zeer rijk was, tot Hem. Hij viel voor Jezus op
de knieën en vroeg Hem: Goede Meester, wat zal ik doen, opdat
ik het eeuwige leven beCrvel Jezus antwoordde Hem daarop: Wat
noemt gij mij goed; niemand is goed dan één, namelijk God. Ver-
volgens noemde Hij hem enkele van de tien geboden. De jongeling
zeide, dat hij van zijne jeugd af al deze dingen onderhouden had.
Hem ontbrak echter nog iets. De Heer stelde belang in dezen jon-
geling en had hem lief. Jezus zeide daarom tot hem: J'.én ding ont-
breekt u ; ga heen , verkoop al wat gij hebt en geef het den artnen,
en gij zult een schat hebben iri den hemel, en kom herwaarts, neem
het kruis op en volg mij. Die eisch was den jongeling echter te zwaar
en daarom ging hij bedroefd heen. Hij voelde zich meer verbonden
aan zijne rijkdommen, dan aan den Goeden Meester. Jezus sprak
toen waarschuwend tot Zijne discipelen : Hoe zwaur is het, dat dege-
nen , die op het goed hun betrouwen zetten, in het konitikrijk Gods
ingaan. — Toen Petrus daarna den Heer er aan herinnerde, dat hij
en zijne vrienden, om Jezus te volgen, alles verlaten hadden, ver-
klaarde Jezus, dat wie om Zijnentwil alles verloochende, eenmaal
eene rijke vergelding ontvangen zou. — De Heer deelde hun vervol-
gens mede, dat Hij weldra te Jeruzalem bespot, gegeeseld, bespogen
en gedood zou worden, maar dat Hij ook ten derden dage weer op
zou staan. Jacobus en Johannes vroegen toen, dat zij eenmaal in
Zijne heerlijkheid aan Zijne rechter- en ünkerhand mochten zitten.
De Heer zeide, dat dit aan God te geven stond. De andere discipelen
namen hun echter dit verzoek zeer kwalijk, en Jezus nam toen hier-
uit aanleiding, om hen allen te waarschuwen voor heerschzucht en
hen op te wekken tot nederigheid en dienende liefde. — Luk. iS : 16;
I Tim. 6 : 17, 18; Mare. 10 : 44, 45.--Gez. 67 : i, 2; Ps. 26 : 3: Gez. 69 : 6.