Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
27- — JEZUS OP HET LOOFHUTTENFEEST.
(Joh. 7 : 11—53; 8 : '2-59; Luk. 10 : 38—42.)
Toen het Loofhuttenfeest begon, was Jezus nog niet te Jeruzalem.
De Joden zochten Hem en begonnen over Hem te spreken. Sommigen
zeiden: Hij is goed; maar anderen noemden Hem een verleider. Uit
vrees voor de Joden, durfde echter niemand vrijuit over Hem te spre-
ken. — Eindelijk, in het midden van het feest, trad Jezus openlijk
op in den tempel en leerde het volk. Dit deed Hij zoo, dat allen
zich verwonderden over Zijne kennis van de Heilige Schriften, waarin
Hij toch niet door de rabbijnen was onderwezen. De Heer antwoordde
hun, dat Zijne leer de leer van God was en dat ieder, die Gods wil
begeerde te doen, dat zou bekennen. Ook verweet Hij hun, dat zij,
die zelve de wet niet hielden. Hem zochten te dooden, terwijl Hij
toch Gods wil volbracht. De Joden zeiden hierop, dat zij Hem niet
zochten te dooden, maar dal Hij bezeten was. Sommigen echter
erkenden, dat het wel waar was, en verwonderden er zich over,
dat men Hem onverhinderd liet leeren. Toch trachtten de farizeèn
en overpriesters Jezus gevangen te nemen, vooral toen zij zagen,
dat velen in Hem geloofden. Zij zonden dienaren daartoe uit, maar
het gelukte hun niet, want de ure des Heeren was nog niet gekomen.
Zelfs moesten die dienaren erkennen: Nooit /leeft een mensch alzoo
gesproken, als deze mensch. De farizet'n waren hierover zeer ver-
toornd, want zij wilden zich van Jezus ontdoen. Nicodemus, die
ook raadsheer was, herinnerde hun er echter aan, dat de wet niet
toeliet, iemand onverhoord te oordeelen. De farizet'n gaven hem
daarop een beschimpend antwoord, maar konden voor het oogenblik
nog niets tegen Jezus doen. — Toch openbaarde zich al weer spoe-
dig de vijandschap der Joden. Toen Jezus, in den tempel bij de
schatkist staande, zich zei ven het licht der waereld noemde, over
Zijne goddelijke zending sprak, en hen over hun ongeloof bestrafte,
scholden zij Hem niet alleen voor een Samaritaan en een bezetene,
maar zij trachtten Hem ook met steenen te werpen. Het gelukte
hun echter niet. Hem kwaad te doen, want Hij ging ongedeerd uit
den tempel. — Jezus had echter ook trouwe vrienden. Te Bethanië,
nabij Jeruzalem, woonde eene zekere Martha met hare zuster Maria
en haren broeder Lazarus. Eens was Jezus bij hen aan huis. Terwijl
Maria belangstellend zat te luisteren naar hetgeen de Heer sprak,
was Martha druk bezig, haren gast het verblijf bij haar zoo aan-
genaam mogelijk te maken. Het hinderde haar, dat Maria zich daar-
mede in 't geheel niet bemoeide. Zij zeide daarom tot Jezus: Heer,
trekt Gij u dat niet aan, dat mijne zuster mij alleen laat dienen ?
Zeg haar dan , dat zij mij helpe. Jezus antwoordde echter: Martha,
Martha, gij bekommert en ontrust n over vele difigen; maar één
ding is noodig, doch Maria heeft hel goede deel uitgekozen, dat van
haar niet zal weggenomen worden. — joh. 7 : 16, 17; i Petr. 2 : 23:
Matth. II : 28.--P.S. 25 : i : Gez. 14 : 5; Ps. 27 : 7.