Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
2o. — DE OPWEKKING VAN JAÏRUS' DOCHTERTJE.
'Mare. 5 : 22—43.)
Toen Jezus te Kapernaüm teruggekeerd was, kwam een overste
der synagoge, met name Jalrus, tot Hem. Voor de voeten des Heeren
nedervallende, bad hij Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen. Hij
had namelijk een dochtertje van omtrent 12 jaren, dat op sterven
lag, en nu verwachtte hij van Jezus, dat deze haar weer kon ge-
nezen. Daarom zeide hij: Ik bid n, dat Gij korni en de handen op
haar legt, opdat zij behoude-i worde, en zij zal leve7i. De Heer was
terstond bereid, met hem te gaan. Dit ging echter niet zoo haastig
als Jalrus misschien wel wilde, want zulk eene groote schare volgde
Jezus, dat men Hem verdrong. — Onder die menigte was ook eene
ongelukkige vrouw, die reeds twaalf jaren lang aan eene treurige
kwaal leed. Zij had overal genezing gezocht, was bij vele medicijn-
meesters reeds geweest, had al wat zij bezat daaraan ten koste gelegd,
maar nergens baat gevonden. Het was integendeel steeds erger ge-
worden. Zij had nu ook van Jezus gehoord en geloofde vast, dat
Hij haar helpen kon. Zóó zeker was zij hiervan overtuigd, dat zij
bij zich zelve dacht: Indien ik maar Zijne kleederen mag aanraken,
ik zal gezond worden. Zij was dan ook onder de schare gekomen
en het gelukte haar , het kleed des Heeren aan te raken. En waar-
lijk, in datzelfde oogenblik voelde zij zich van hare kwaal verlost.
Haar geloof was dus niet beschaamd geworden. De Heer wist, wat
hier geschiedde, ook zonder dat Hij iets gezien had. Terstond keerde
Hij zich om en vroeg: Wie heeft mij aangeraakt ? Zijne discipelen
vonden deze vraag vreemd, omdat immers de menigte Hem verdrong.
De vrouw eehter viel bevende en bevreesd voor Hem neder en be-
kende Hem alles, wat er geschied was, waarop Jezus vriendelijk
en troostend tot haar zeide: Dochter, uw geloof heeft 11 behouden;
ga heen in vrede en wees genezen van deze uwe kwaal. — Terwijl
Jezus nog sprak, kreeg Jaïrus bericht, dat zijn kind gestorven was.
De Heer, die dit hoorde, zeide echter tot hem: Vrees niet, geloof
alleenlijk. Toen men nu aan het huis van Jaïrus kwam, liet Jezus
alleen Petrus, Jacobus en Johannes en den vader en demoeder
van het kind toe, met Hem binnen te treden. Tot degenen, die de
doode beweenden, sprak Hij: Vertrekt van hier, want het dochtertje
is niet dood, waar slaapt. Deze menschen lachten Hem daarover
echter uit. Toen Hij allen, behalve de genoemden, zich had doen
verwijderen, nam Hij het kind bij de hand en sprak: Talitha kihnif
dat is: Dochtertje, sta op. Terstond werd het kind weer levend
en begon te loopen, terwijl de Heer gebood, dat men het te eten
zou geven. Daar Jezus niet wilde, dat van deze zaak vertoon ge-
maakt zou worden, beval Hij de ouders, dat zij er het zwijgen
over zouden bewaren, wat echter niet wegnam, dat weldra door
het geheele land bekend werd, wat er geschied was. — Joh. 6 : 37;
Matth. .21 ; 22; Luk. i : 37.--Gez. 65 : i; Ps. 130 : i; Gez. 67 : 5.