Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
14. — DE APOSTELKEUZE EN DE BERGREDE.
(Luk. 6; Matth. 5—7.)
Meermalen viel men den Heer hard over de vrije opvatting, die
Hij had van den Sabbat. Zoo ging Hij op dien dag eens met Zijne
discipelen door het gezaaide. Toen zij nu aren begonnen te plukken
en te eten, en de Farizeên zich daaraan ergerden, zeide Jezus: De
Sabbat is gemaakt om den mensch, niet de mensch om den Sabbat;
en: De Zoon des menschen is een heer ook van den Sabbat. —
Kort daarna trof Hij in de .Synagoge een man met een lamme hand.
Wetende, dat de Farizeên Hem vi'aarnamen, vroeg Hij hun, wat
geoorloofd was op de Sabbaten, goed te doen of kwaad te doen?
een mensch te behouden of te verderven? Toen zij zwegen, genas
Hij den man. — In die dagen ging Jezus uit naar een berg. Na
daar den ganschen nacht in het gebed doorgebracht te hebben, riep
Hij Zijne discipelen tot zich en koos twaalf uit hen, die Hij ook
apostelen noemde. Deze 12 apostelen zijn: Simon Petrus en Andreas,
zonen van Jona; Johannes en Jacobus, zonen van Zebedeüs; Filip-
pus en Bartholomeüs, die ook Nathanaël heette; Matthetts ofLevi,
de tollenaar, en Thomas, bijgenaamd Didymus (tweeling); Jacobus,
de zoon van Alfeüs, en Simon Kananites, bijgenaamd Zelotes (de
ijveraar); Judas, de zoon van Jacobus, bijgenaamd Lebbeüs of
Thaddens, en Judas Iskarioth. —■ Hierna sprak Jezus van den
berg af tot de schare, die zich op de vlakte bevond, de bekende
schoone rede, die wij de bergrede noemen. Hij maakte daarin Zijne
discipelen met den aard van Zijn Koninkrijk bekend en gaf hun
allerlei wijze levenslessen. Hij prees hen, die tot Zijn Koninkrijk
behoorden, zalig en gaf te kennen, hoe zij moesten wezen om tot
dat Koninkrijk te behooren. Hij noemde zijne discipelen het zout
der aarde en het licht der waereld en hield hun voor, dat zij door
hunne werken hunnen Vader moesten verheerlijken. Daartoe eischte
Hij het onderhouden van Gods geboden, niet enkel naar de letter,
maar ook naar den geest. Wecst dan gijlieden volmaakt, zeide Hij,
gelijk uw Vader, die in de he}nele7i is, volmaakt is. Hij waarschuwde
hen voor schijnheiligheid, leerde hen in het Onze Vader, hoe zij
bidden moesten, en wekte hen op tot vertrouwen op God. Zoekt
eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid, zeide Hij, e7i zijt
dan niet bezorgd tegen de7i morgeri. Hij vermaande hen, voorzichtig
te zijn in hun oordeel over anderen, al hunne nooden aan God be-
kend te maken en anderen met liefde te behandelen. Hij wees hen
op het gevaar, dat er is om verloren te gaan, en op de bezwaren,
die men ontmoet om het leven te vinden, en eindigde met de
herinnering, dat de menschen aan hunne werken gekend worden,
gelijk een boom aan zijne vruchten. Niet een iegelijk — zoo sprak
Hij — die lot mij zegt: Heere! Heere! zal ingaan in het koninkrijk
der hemelen, maar die daar doet den wil 7nijns Vaders, die i7i de
he7nele7l is. — Matth. 5 : 48; Matth. 6 : 19—21; Matth. 7:7, 8. —
Gez. : 36 : 2; Ps. 25 : 4; Gez. 161 : 4.