Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
10. — NICODEMUS EN DE SAMARITAANSCHE VROUW.
(Joh. 3 : 1—22; 4 : ï—43.)
De teekenen, die Jezus te Jeruzalem deed, brachten velen tot
het geloof, dat Hij door God gezonden was. Onder dezen was ook
een zekere Nicodemus, een aanzienlijk man uit de Farizeën. Hij
verlangde nader in kennis te komen met Jezus, maar was bevreesd,
■daar openlijk voor uit te komen. Daarom ging hij des nachts tot
Jezus. De Heer -hield toen een zeer belangrijk gesprek met hem
over de wedergeboorte. Hij leerde hem, dat de mensch, om behou-
den te worden, geheel vernieuwd moet worden door den Geest van
God, en zeidey^/zw lief heeft God de waereld gehad, dat Hij
Zijnen eeniggeboren ^oon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in
Hetn gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. — Na dit
gesprek is Nicodemus een vriend van Jezus gebleven, hetgeen hij
later ook toonde, toen hij met Jozef van Arimathéa des Heeren
lichaam begroef. —..Niet zeer lang daarna vertrok Jezus weer naar
Galiléa. Hij.nam Zijn weg door Samaria. Daar, bij de stad Sichar
gekomen, zette Hij zich neder bij eene bron, die de fontein Jacobs
heette, om, terwijl Zijne discipelen in de stad spijze kochten, wat
uit te rusten. Toen er nu eene vrouw kwam om water te putten,
vroeg Jezus haar, Hem te drinken te geven. De vrouw verwonderde
zich, dat een Jood haar, die eene Samaritaansche was, daarom
vroeg. Er heerschte namelijk tusschen Joden en Samaritanen een
onverzoenlijke haat. Jezus antwoordde haar echter, dat, indien zij
wist wie Hij was, zij van Hem levend water begeeren zou. De
vrouw begreep den Heer niet, en toen Hij haar gezegd had, dat
wie van dat levend water dronk nooit meer dorsten zou, vroeg zij
wel om dat water, maar zij begreep den Heer nog niet. Toen zeide
Jezus: Roep uwen man. Ik heb geen man; antwoordde zij. Juist,
zeide Jezus , vijf mannen hebt gij gehad en dien gij nu hebt is uw
man niet. Toen begreep de vrouw eenigszins, wie met haar sprak,
want zij zeide: Heere, ik zie dat gij een profeet zijt. Zij wilde nu
van Jezus weten, of men, gelijk de Samaritanen, op den berg
Gerizim of te Jeruzalem, zooals de Joden, God moest aanbidden.
Jezus leerde haar daarop, dat het niet op de plaats, maar op de
wijze der aanbidding aankomt. Toen de vrouw daarna zinspeelde
op den Messias, die komen zou, maakte Jezus zich als de Messias
aan haar bekend. — De discipelen, die inmiddels teruggekeerd
waren, wilden, na het vertrek van de vrouw, Jezus spijze geven,
maar Hij weigerde die en verklaarde: Mijne spijze is, dat ik doe
den wil desgenen, die mij gezotiden heeft en Zijn werk volbrenge. —
Daarna kwamen vele inwoners der stad Sichar, die van de vrouw
gehoord hadden wat Jezus gezegd had, tot Hem en verzochten Hem,
bij hen te blijven. De Heer bleef daar toen twee dagen en vele
Samaritanen geloofden in Hem als den Christus. — Van daar ver-
trok Jezus naar Galiléa. — 2 Cor. 5 : 17; Jes. 55 : i; Joh. 6 : 69.--
Gez. 38 : 4; Ps. 23 : I ; Gez. 52 : 2.