Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
8. — JEZUS' EERSTE DISCIPELEN.
fjoh. I : 19-52.)
Na de verzoeking in de woestijn begaf Jezus zich weer over 'de
Jordaan, waar Johannes, in Beth-äbara, werkzaam was. Toen Hij
daar gekomen was, wees Johannes, die den vorigen dag openlijk
verklaard had, dat hijzelf de Christus niet was, zijne discipelen
op Hem met de woorden: Zie hei Lam Gods, dat de zonde der
waereld wegneemt. — Des anderen daags zeide hij weer hetzelfde
tot twee discipelen, die bij hem waren. Dezen, Andreas en Johan-
nes, de zoon van Zebedeüs, volgden Jezus toen, maar spraken
Hem niet aan. Minzaam vroeg Hij hun toen: Wat zoekt gij? Hun
eenig antwoord was: Rabbi (d. i. Meester) waar woont gij ? Daarop
noodigde Jezus hen uit, met Hem te gaan. Dit deden zij, en den
geheelen dag bleven zij verder bij Hem. Van toen af werden zij
Zijne discipelen. — Andreas deelde deze ontmoeting aan zijn broe-
der Simon mede en zeide: Wij hebben gevonden den Messias.
Vervolgens leidde hij hem tot Jezus. Toen Jezus hem aanzag
zeide Hij: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas, gij zult genaamd
worden Cefas (d.i. Petrus = rots). Ook Simon Petrus bleef toen
bij Jezus. — Den volgenden dag, toen Jezus naar Galiléa wilde
gaan, ontmoette Hij Eilippus, die, evenals Andreas en Simon, uit
Bethsaïda was, en zeide tot hem: Volg mij. Eilippus voldeed aan
deze uitnoodiging. — Evenals Andreas, bracht ook hij weer een
ander tot Jezus. Des Heeren discipelen moeten altijd trachten ook
anderen tot jiezus te brengen. Eilippus dan vond Nathanaël, rustig
onder een vijgenboom zittende. Van zijne blijdschap gaf hij hem
blijk door tot hem te zeggen: Wij hebben dien gevonden, van
welken Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten-, namelijk
Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth. Nu stond, dit stadje niet
zeer gunstig bekend. Nathanaël zeide daarom: Kan uit Nazareth
iets goeds zijn? Hierop antwoordde Filippus echter: Kom en zie.
Nathanaël sprak eerlijk uit wat hij dacht. Daarbij liet hij zich
evenwel door een vooroordeel leiden, maar hij was toch te eerlijk
om daaraan toe te geven. Hij ging dus met FiHppus mee. Toen
hij bij Jezus kwam zeide deze, die wist wat in den mensch was:
Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is. Verwonderd
vroeg Nathanaël toen: Van waar kent gij mij? Toen Jezus nu
antwoordde: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgenboom
waart, zag ik u; was Nathanaël zóó getroffen, dat hij erkennen
moest: Rabbi! gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israels.
Jezus zeide daarop: Omdat ik u gezegd heb: Ik zag u onder den
vijgenboom, zoo gelooft gij; gij zult grootere dingen zien dan deze.
Uit de werken van Jezus en hetgeen met Hem geschied is, is dan
ook wel gebleken, dat Hij de Christus, de gezondene des Vaders,
was. — I Joh. 2:2; Tit. 2 : 14; Joh. 14 : 10.--Gez. 39 : I; Ps. 73 : 12;
Gez, 62 : 2.