Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
/fc
1
/mi
I. — DE MOEDER DES HEEREN.
(Luk. I : 26—s6.\
Te Nazareth, eene stad in Galiléa, woonde eene maagd, die
zooals ons blijkt uit alles, wat wij van haar weten, waarlijlT-vTOom
was. Zij heette Maria en behoorde tot den geringeren stand. Dit
was echter voor God geen beletsel ojn haar zeer bijzonder te zege-
nen. Hij immers ziet niet aan wat voor oogen is, maar let op het hart.
Deze Maria was verloofd met een timmerman, die Jozef heette
en evenals zij zelve ook, uit het geslacht van David was. — Op
een zekeren tijd verscheen aan haar de Engel Gabriel, die haar
aansprak met deze woorden: Wees gegroet, gij begenadigde! de
Heer is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen. Maria, die
door de verschijning van den Engel zeer ontroerd werd, wist niet,
wat deze woorden beteekenen moesten. De Engel stelde haar echter
gerust, door tot haar te zeggen: Vrees niet, Maria, want gij hebt
genade bij God gevonden. Hij deelde haar verder mede, dat zij
moeder worden zou van een zoon, dien zij Jezus (d. i. Zalig-
maker) zou moeten noemen. Deze zoon zou groot zijn, de Zoon des
Allerhoogsten genaamd worden en tot in eeuwigheid koning zijn.
Maria begreep niet, hoe dit mogelijk zou wezen, maar de Engel zeide
tot haar: Geen ding zal bij God onmogelijk zijn. Geloovende, wat
tot haar gezegd was, antwoordde zij toen: Zie de dienstmaagd des
Heeren: mij geschiede naar uw woord. Daarmede gaf zij te kennen,
dat, wat de Heer met haar voor had, haar ook goed was, al be-
greep zij het nog niet. Zoo moeten ook wij steeds op God ver-
trouwen en alles aan Hem overlaten. — De Engel had tevens aan
Maria gezegd, dat hare nicht Elisabeth, de vrouw van een zekeren
priester Zacharias, die in Juda woonde, ook spoedig moeder hoopte
te worden. Maria ging toen terstond op reis, om Elisabeth te be-
zoeken en haar te vertellen, wat de Engel gezegd had. Elisabeth,
die veel ouder was dan zij, ontving haar met vreugde, prees haar
gelukkig en versterkte haar in 't geloof door de verklaring, dat
de dingen, die haar van den Heer gezegd waren, zekerlijk vol-
bracht zouden worden. Maria zelve was ook zeer verheugd. Dat
merken wij uit de woorden, die zij daarop sprak en die wij ge-
woonlijk den lofzang van Maria noemen. Zij verheerlijkte daarin
den Heer, die zulke groote dingen aan haar had gedaan en Zijne
barmhartigheid bewijst aan allen, die Hem vreezen. Ook hierin
werd hare vroomheid openbaar. Die waarlijk vroom is, heeft be-
hoefte om God te verheerlijken. — Drie maanden lang bleef
Maria bij Elisabeth en toen keerde zij terug naar Galiléa. —
Jes. 9:5,6; Luk. I : 52; Efez. 5 : 20.--Ps. 132 : 7; Gez. 112 : 2, 3;
Ps. 138 : I.
VAN VEEN, Bij6. Gesch. IL 7e druk.