Boekgegevens
Titel: Leerboek der Engelsche taal naar Ollendorff's methode
Deel: 4e stukje
Auteur: Stevens, J.
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel en Bakker, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8321
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201927
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der Engelsche taal naar Ollendorff's methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
(to alloio) hem jaarlijks vierdehalf duizend gulden, en hij
zeer veel geld in de stad schuldig; hij kan onmogelijk al dat
geld uitgegeven hebben. Hij raoet op [in) een avond zeven
ä acht duizend gulden verloren hebben. — Den vorigen Dins-
dag, zeide men, dat hij zich verdronken had; dan, dat hij
zich zou [fie was io have) hebben doodgeschoten; doch noch
het eene noch het andere is vvaar, want mf^n heeft henr» op
Donderdag in B. gezien. — Ik twijfel niet, of hij is naar S.
gegaan, waar hij rijke bloedverwanten raoet hebben. — Wat
is er van den jongen man geworden, die het vorige jaar op
(in) uw kantoor was? — Het deed mij veel leed te hooren, dat
hij op 7ijne reis naar Amerika verdronken is. — Waar is de
kleine hond, die gij altijd bij u placht (<o uje) te hebben?
Hij werd (fd!) plotseling ziek, at niets, en wilde {to offer)
iedereen bijten, die bij hem kwam, zoodat ik vreesde [to
he- afraid), dat hij dol zou worden [going to be); ik liet
hem daarom [so, aan het begin van den zin) dadelijk ver-
drinken. — Dal hadt gij niet moeten doen; gij hadt hem
moeten laten doodschieten. — Wie heeft hem verdronken? —
De bediende bond [to iie) hem een steen aan [to] den hals
[neck) en wierp hem in het water. — (Wanneer) ik in de
plaats van den bediende geweest was, zou ik hel niet gaarne
gedaan hebben; als de hond hem nu eens gebeten had? —
De hond hield heel veel van hem [Io bc fond of—), en zou
hem niet gebeten hebben. — Als de honden dol zijn, bij-
ten zij (p egen) iedereen (wie het ook zijn moge); men
heofi [there are) vele voorbeelden van dolle honden, die kin-
deren gebeten hebben [having bitten —), van welke zij vroe-
ger veel hielden.
S33.
Was het niet zeer gelukkig [fortunnte), dat er eene boot
in de nabijheid was [to be near), toen gij u gisteren baad-
det? — Ja, zeker, was het (dat); want als zij ons niet Ie
hulp gekomen was, zou de kleine Willem hebben moeten
verdrinken. Hel water was veel dieper, dan wij dachten;
Willem voelde geen grond meer, en wij waren allen zoo ge»
schrokken, dat. geen enkele [not one) van ons tegenwoordig-
heid van geest genoeg [svfpeient) had hem te helpen. — Ik