Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
GESLACHT.
69
l'automne. C'est au printemps
que la vie végétale recom-
mence (se renouvelle). Les
fleurs, endormies sous la neige,
se réveillent. Les oiseaux de
passage (voyageurs) reviennent.
Le paysan laboure la terre à
la sueur de son front. Le
labourage (labour) est indis-
pensable à l'agriculture. Le
labeur est rude, mais il porte
de riches fruits.
Pendant l'été, la vie est au
comble ; la chaleur est au plus
fort ; c'est la belle saison. C'est
alors que le faucheur coupe
l'herbe avec la faux; séchée,
l'herbe devient du foin.
Au mois de septembre com-
mence l'automne. Après la
fenaison vient la moisson (la
récolte des strains). D'abord
on moissonne le seigle, puis
l'avoine, l'orge et le bléDans
les pays du nord il y a de [la]
belle avoine, de [la] belle orge
et de [du] beau seigle, tandis
que le froment y vient moins
bien. Le moissonneur coupe
le blé avec la faucille ou [le
fauche avec] la faux ; ensuite
on le bat [en grange]. Le
meunier moud le grain au
moulin pour en faire de la
farine; enfin le boulanger en
fait du pain et des gâteaux.
En novembre ou en décembre,
c'est l'hiver qui fait son en-
trée; c'est alors le froid qui
en de herfst. In de lente
beginnen de planten te her-
leven. De bloemen, die onder
de sneeuw geslapen hebben,
ontwaken. De trekvogels ko-
men weer terug. De boer
beploegt den grond in het
zweet zijns aanschijns. Het
ploegen is onmisbaar voor
den landbouw. De veldarbeid
is zwaar, maar draagt rijke
vruchten.
Gedurende den zomer bereikt
het leven zijn toppunt; de
warmte (hitte) is het grootst;
het is het schoone jaargetijde.
Dan maait de maaier het gras
af met den zeis; als het ge-
droogd is, wordt het gras hooi.
In de maand September begint
de herfst. Na den hooioogst
komt de graanoogst. Eerst
oogst (maait) men de rogge,
daarna de haver, de gerst en
het koren. In de noordelijke
landen vindt men mooie haver,
mooie gerst en mooie rogge,
terwijl [daarentegen] de tarwe
minder goed gedijt. De maaier
snijdt het koren af met de
sikkel of [maait het met] den
zeis; daarna dorscht men het
[in de schuur; op de deel].
De molenaar maalt het graan
in den molen om er meel
van te maken; eindelijk
maakt de bakker er brood en
koek van.
In November of in December
houdt de winter zijn intrede;
dan heerscht de koude. In