Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
DEELEND LIDWOORD.
Qu'il fait sombre ! On sait qu'il
fait jour, mais on dirait qu'il
fait nuit. (Il fait nuit en
plein jour.)
Je crois que nous allons avoir
de l'orage (qu'il va tonner).
Il tonne déjà. Il fait des éclairs.
Le tonnerre purifie l'air.
Le temps se remet au beau.
Il fait beau déjà. L'orage est
passé ; comme il a passé vite !
Il fait du soleil.
Plus d'orage, plus de vent,
plus de pluie.
Il fait chaud; c'est délicieux.
Peut-être que le temps se met
au beau pour tout de bon.
Ah oui, nous aurons encore du
beau temps.
Il fait un temps magnifique.
Nous avons de la chance.
Wat is het donker! Men weet,
dat het dag is, maar men
zou eer denken, dat het nog
nacht is. ('t Is nacht op klaar-
lichten dag).
Ik geloof, dat we onweer krijgen.
Het dondert reeds. Het weer-
licht. Het onweer zuivert de
lucht.
Het weer klaart weer op.
Het is alweer mooi weer. Het
onweer is voorbij; wat is het
gauw voorbij! De zon schijnt.
Geen onweer meer, geen wind
meer, geen regen meer.
Het is warm; dat is heerlijk.
Misschien wordt het nu wel voor
goed mooi (bestendig) weer.
O ja, we zullen nog wel mooi
weer krijgen.
Het is prachtig weer. Wij tref-
fen het.
36.
La soirée est belle. Est-ce qu'il
fait clair de lune?
Non, mais les étoiles brillent
(il y a des étoiles).
Il fait un peu froid. Il fait mau-
vais marcher. Il fait glissant.
On dirait de la glace.
C'est tout comme, c'est du ver-
glas. C'est l'effet de la pluie
et du froid. Avez-vous froid ?
Non, j'ai chaud; c'est que je
porte des habits chauds.
Moi j'ai froid; c'est que j'ai
Het is een mooie avond. Is
het maneschijn?
Neen, maar de sterren fonkelen
(er zijn sterren aan de lucht),
't Is een beetje koud. Het loo-
pen gaat moeielijk. Het is
glad. 't Is net ijs.
't Is zoo goed als ijs, 't is ijzel.
Dat komt van den regen en de
koude. Is u (heeft u het) koud ?
Neen, ik ben (ik heb het) warm;
dat komt, omdat ik warm
gekleed ben.
Ik ben (heb het) koud; dat komt,