Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
DEELEND LIDWOORD.
33.
Het is hoog tijd om te gaan eten.
Ik heb goeden eetlust (trek).
• Ik zal met smaak eten.
Ik heb ook honger en dorst. Daar
staat een bedelaar; nu, die zal ook
meer honger hebben dan wij.
Och, goede heeren, geef toch
een kleinigheid aan een armen
bedelaar. Ik heb honger. Och,
wat heb ik een honger! Ik
heb zoo'n vreeselijken honger!
Ik lijd zoo'n honger!
Nu, die verveelt me met zijn
honger.
Och, goede heeren, ik heb
nog niets gegeten; ik vast al
sedert gisteren; ik heb den
heelen dag nog niets gebruikt.
Ik heb al heel dikwijls met
een leege maag moeten
gaan slapen. Ik heb beproefd
mijn honger te doen bedaren
door den slaap; maar als men
veel honger heeft, slaapt men
los, dan slaapt men niet lang.
Weest zoo goed en geeft mij
wat te eten en te drinken.
Heb je dorst ook? Is er dan
geen water?
Och heeren, er zijn heel weinig
drinkfonteinen hier in Parijs
en het Seine-water is onge-
zond; daarbij komt, dat er
geen water in huis is.
* Gemeenzaam, tris faim. Schertsend zegt men ook: il fait soif, il
fait tres soif.
t Een bittere scherts: „Het is vandaag vastendag voor mij." Anders:
fai restomac vide, of: je n'ai rien mangé. — Let op deze uitdrakking: II
ne mange pas tous les jours a sa faim et ne boit pas a sa soif (Delvau,
Mémoires d'une h. f. 24), hij eet en drinkt niet alle dagen zijn genoegen.
II est grand temps de dîner.
J'ai bon appétit. Je me sens
de l'appétit.
Moi aussi j'ai faim et soif. Voilà
un mendiant ; en voilà un qui
doit avoir plus faim que nous.
Mes bons messieurs, donnez
quelque chose à un pauvre
mendiant. J'ai faim. Mon
Dieu, que j'ai faim! J'ai
bien* faim. J'ai grand'faim.
J'ai si faim!
Ah ça, il m'ennuie avec sa
faim.
Messieurs, je suis encore à
jeun; je jeûne f depuis hier;
je n'ai encore rien pris de la
journée. Il m'a fallu (j'ai dû)
bien des fois me coucher
sur ma faim. J'ai essayé de
tromper ma faim par le som-
meil; mais quand on a bien
faim, on a le sommeil léger,
on ne dort pas longtemps.
Veuillez me donner à manger
et à boire.
Vous avez soif aussi? Il n'y a
donc pas d'eau?
Messieurs, il y a bien peu de
fontaines à Paris, et l'eau
de la Seine est malsaine ;
puis il n'y a pas d'eau à la
maison.