Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
DEELEND LIDWOORD.
Vous mettez trop d'eau dans
(mouillez trop ^ votre vin; met-
tez moins d'eau et plus de vin.
Il n'y a pas de vin; moi, du
moins, je n'en ai pas. Il n'y a
plus de vin. Je n'ai plus de vin.
Il n'y en a plus?
Il n'en reste plus.
Sij il en reste encore.
En avez-vous?
Oui, j'en ai. En voulez-vous?
Désirez-vous encore du vin?
En voulez-vous encore?
Oui, donnez-m'en encore un peu.
Garçon, encore du vins'il
vous plaît.
Un peu plus (encore un peu)
devin, s'il vous plaît. Encore
un verre de vin, s'il vous plaît.
Mais vous avez un verre de vin
devant vous.
Pardon, il y a bien un verre '
mais pas de vin.
Un peu plus devin; monsieur?
Merci. [Je ne veux] plus de vin.
Monsieur n'en veut pas davan-
tage?
Pas davantage, je vous remercie.
Du vin, mon ami?
Merci. Pas de vin. Je ne bois
pas de vin. Je ne veux pas
de vin. Il y a un verre de
trop, ôtez-le.
U doet te veel water in uw
wijn
doe er minder water
en meer wijn in.
Er is geen wijn; ik ten minste
heb niets. Er is geen wijn
meer. Ik heb geen wijn meer.
Is er niet meer?
Er is niets meer [over].
Ja wel, er is nog.
Heeft u [dan] nog?
Ja, ik heb nog wat. Wil u wat?
Wil u nog wijn? Wil u nog
wat?
Ja, geef mij nog een beetje.
Kelner, breng nog wat wijn.
Nog wat wijn, als 't u blieft.
Nog een glaasje wijn, als 't u
blieft.
Maar u heeft een glas wijn voor
u [staan].
Pardon, er staat wel een glas,
maar geen wijn.
Belieft u nog wat wijn, mijnheer?
Dank u. [Ik verlang] geen wijn
meer.
Wil mijnheer niet meer?
Ik dank u, niet meer.
Wil je] wijn, mijn vriend?
Dank je. Geen wijn. Ik drink
geen wijn. Ik wil geen wijn.
Er is een glas te veel. Neem
het weg.
18.
Avez-vous du pain, madame? Heeft u brood, juffrouw?
Non, monsieur, je n'ai pas de Neen, mijnheer, ik heb geen
pain, mais le boulanger en a brood, maar de bakker wel (er
(il y en a chez le boulanger). is wel brood bij den bakker).