Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
AANHANGSEL. 227
pierres, hetgeen de spraakkunstenaars ook tot het enkelvoud
uitbreidden: de bon pain-, in de volkstaal is het nog: du
bon pain, de bons légumes (Darmesteter & Hatzfeld, Le
Seizième Siècle, I, 256. Vgl. A. Stimming, Zeitschr. f. rom.
Phil. I, 198). Intusschen is thans niet slechts de volkstaal,
doch ook de beschaafde omgangstaal meer en meer tot des
petites pierres, des petites choses, etc. teruggekeerd. De
taal streeft er dus naar, het lidwoord tot dien enkelen vorm
te beperken, gelijk het Ital. di buon pane door del buon
pane is verdrongen. In de nieuwere literatuur komt dit als
volksuitdrukking voör reeds van Molière af: Tu laisses une
pauvre femme avec des petits enfants (Molière, Jalousie
de Barbouillé, 12). Voici bien du haut style (ib. Préc.
Rid.). Reeds in een tamelijk oud liedje is het: J'ai du
bon tabac dans ma tabatière; spreekwoordelijk: à la
Saint Martin, on boit du bon vin (Plattner, Franz. Schul-
gram, bl. 246). Bij Scribe zegt een rijke parvenu: Et puis,
tu songeras au souper, un souper digne de notre nouvelle
position; dic bon vin, entends-t»? (Bertrand^et Raton; dit
zou ook opgevat kunnen worden, als dienende voor den nadruk.)
Bij George Sand zegt een bediende : Voilà ce qu'on dit, mais
c'est des fameuses bêtises (Mont-Revéche, I, 132);
een jong meisje: c'est bon pour vous qui êtes des gran-
des princesses (ib. II, 45). Bij Sardou zegt een huis-
houdster: non, pas de café, du bon bouillon (Maison
Neuve, 195); daarentegen laat hij een vorst zeggen: Vous
ne vendez pas de bonne bière; il ne débite pas toujours
de bons conseils (Rabagas, 35). Het volledige part. lidw.
wordt ook in de beschaafde omgangstaal en als vrije, lite-
rarische vorm, meer en meer gebruikelijk, vooral bij petit
(hier wel 't metst), grand, jeune, beau, vrai, bon, mauvais.
Zoo bijv. bij Musset: Épouse-t-on des petites filles^
(Com., II, 109.) C'est de la grande politique (ib. II,
246). — Dumas fils: Nous faisions de la grosse poésie
(Théâtre, III, 45). Est-ce qu'il y aura des enfants 1 Oui.
Des petits garçons ou des petites fillesi Des
petites filles. Tant mieux. Je n'aitne pas les petits
15*