Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
bp:palend en niet-bepalknd lidwoord.
la plume, le papier, le cahier,
le cravon et tout le reste.
schrift (schrijfboek), potlood
en het overige bij elkaar.
8.
Qu'est-ce que tu as {plus rare-
ment: qu'as-tu)?
J'ai mal à la tête. J'ai un mal
de tête terrible. Et puis j'ai
mal aux dents. J'ai une dent
gâtée. J'ai un mal de dents
terrible. J'ai la tête chaude
et les mains froides. J'ai la
fièvre.
Il faut envoyer chercher le
médecin. Justement le voilà.
[Monsieur le] docteur, don-
nez-vous la peine d'entrer.
Voilà un petit malade qui a
toutes les maladies.
Voyons la langue. La langue est
très chargée. Voyons le pouls ;
tiens la main tranquille, que
je te täte le pouls. Ix ])ouls
est un peu agité. Je vais lui
donner un calmant. Il en
prendra une cuillerée toutes
les trois heures. Je rei)asserai
dans la journée. Il ne faut
pas qu'il sorte de la journée.
Wat scheelt je?
Ik heb pijn in 't hoofd. Ik heb
een vreeselijke hoofdjjijn. En
bovendien heb ik kiespijn. Ik
heb een holle kies. Ik heb
een verschrikkelijke kiesjiijn.
Mijn hoofd gloeit en mijn han-
den zijn koud. Ik heb de koorts.
We moeten den dokter laten
halen. Daar is hij net. Dokter,
wil U even binnenkomen ?
We hebben hier een kleinen
patiënt, die aan alle mogelijke
kwalen lijdt.
Laat je tong eens zien. De (je)
tong is erg beslagen. Laten we
nu de pols eens nagaan; houd
je hand stil, dat ik je pols voel.
De pols is wat gejaagd. Ik zal
hem een kalmeerend drankje
geven. Hij moet om de drie
uren een lepel[tje] nemen. In
den loop van den dag kom
ik nog eens kijken. Hij mag
den heelen dag niet uitgaan.
Dites à la bonne (domestique)
de monter. — Julie, avez-
vous brossé les habits? Avez-
vous fait les chambres et les
lits et balayé [le plancher *]?
Zeg aan de meid, dat ze boven
moet komen. — Julia, heb
je de kleeren afgeborsteld?
Heb je de kamers gedaan en
de bedden opgemaakt, en
den vloer geveegd?
* Vaneen sierlijken, ingelegdcn vloer zegt men: frotter Ie parquet, d. i.:
met een borstel under den voel wrijven, boenen.