Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
ïi'l

204
ONBEPAALDE VOORNAAMWOORDEN.
<
i
Alors, qu'avez-vous vu?
qu'avçz-vous trouvé?
F. Je n'ai rien vu, rien
trouvé, rien du tout.
D. entre.
B, Vous ne voulez rien dire ?
P. Je ne dis rien, parce que
je n'ai rien à dire. Rien n'est
plus vrai. (Rien de plus vrai.)
Je suis entré, rien de plus.
Voilà tout.
B, Je veux tout savoir. Vous
y avez tout à gagner et rien à
perdre. Voyons, qu'est-ce que
vous avez pris?
F, Rien.
B. Et la montre, qu'en avez-
vous fait?
F. Je n'en sais rien. Je n'ai
pas vu de montre.
B. Elle était pourtant là.
F. Ça n'y (ne) fait rien. Je
n'ai rien pris à personne. Je
n'ai rien à personne. Je ne
dois rien à personne, et je ne
demande rien à personne.
B. Vous le prenez sur un ton
un peu haut. Vous disiez pour-
tant tout à l'heure que vous
étiez un pauvre mendiant.
Allons, ne craignez rien, dites-
moi tout. Je vous dis de ne
rien craindre, mais je vous con-
seille de ne rien cacher.
F. Je ne dis rien que la vérité.
B. Vous n'en faites rien. Il
n'en est rien. Dites tout de
suite ce qu'il en est.
F. Il n'y a rien à dire.
B. Comment vous appelez-
vous?
B. Nu, wat heb je dan
gezien? wat heb je gevonden?
F. Ik heb niets gezien, niets
gevonden j volstrekt niets.
D. komt binnen.
B. Je wilt dus niet bekennen ?
F. Ik beken niets, omdat
ik niets te bekennen heb. Het
is de zuivere waarheid. Ik ben
binnengegaan, meer niets. En
dat is alles.
B. Ik wil alles weten. Je
kunt er alles bij winnen en niets
bij verliezen. Spreek op: wat
heb je weggenomen?
F. Niets.
B. En wat heb je met het
horloge gedaan?
F. Daar weet ik niets van
[af], Ik heb geen horloge gezien.
B. Het lag daar toch.
F, Dat doet niets ter zake.
Ik heb niemand iets ontnomen.
Ik heb van niemand iets. Ik ben
niemand iets schuldig, en ik
verlang van niemand iets.
B. Je slaat een vrij hoogen
toon aan. Je zei toch daar
straks, dat je een arme bede-
laar waart. Nu, vrees maar niet,
en zeg me alles. Ik zeg je, dat
je niets behoeft te vreezen,
maar ik raad je aan niets te
verbergen.
F. Ik zeg niets dan de waarheid.
B. Dat doe je juist niet.
Dat is juist niet het geval. Zeg
dadelijk, wat er van de zaak is.
F. Er is niets te zeggen.
B, Hoe heet je?