Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
VRAGENDE VOORNAAMVi^OORDEN.
181
182.
Qui vois-je? Que vois-je? Qu'est-
ce que j'entends*? Cette
figure, cette voix... je ne
me trompe pas: c'est vous,
mon cher Auguste?
Moi-même. Que de temps que
nous ne nous sommes vus! Que
faites-vous t ? Que devenez-
vous? Comment allez-vous?
Mais, on va (vit) comme on peut.
Qu'est-ce que vous faites, enfin?
Je travaille à mon bureau.
Rien que ça?
Oui.
Qu'est devenu votre frère, lui
avec qui j'étais si intime?
C'est drôle comme on se perd
de vue.
Mais rien de bien grand, il a
un petit commerce. Que vou-
lez-vous? On fait ce qu'on
peut. Que sont devenus nos
rêves d'autrefois? Hélas! Où
sont les neiges d'antan?§ Et
vous-même, qu'est-ce que vous
êtes devenu?
Mais rien de bien extraordinaire
non plus. Vous savez que je
faisais mon droit. Je suis
avocat, mais sans causes; je
ne plaide pas.
Mais vous avez de quoi vivre?
Oui, j'ai une petite rente viagère.
Wien zie ik? Wat zie ik? Wat
hoor ik ? Dat gelaat, die
stem... ik vergis me niet:
ben jij het, beste August?
Ik zelf Wat hebben we elkaar
in lang niet gezien! Hoe gaat
het? Hoe is 't met je? Ben
je gezond?
Och, het gaat zooals 't gaat.
Maar, wat voer je nu eigen-
lijk uit?
Ik werk op mijn kantoor.
Anders niet?
Neen.
Hoe is het met je broeder ge-
gaan
met wien ik zoo be-
vriend was? 't Is toch zon-
derling, hoe men elkaar uit
het oog verliest.
Hij is niet veel bijzonders, hij
heeft een zaakje. Wat zal
ik ervan zeggen? Men doet,
wat men kan. Waar zijn
onze idealen van voorheen?
Verdwenen helaas! als de
laatste sneeuw! En hoe is
het jou gegaan?
Mij, ook al niet bijzonder. Je
weet, dat ik [vroeger] in de
rechten studeerde. Ik ben
[thans] advocaat, maar ik heb
niets te doen. Ik pleit niet.
Maar je kunt toch leven?
Jawel, ik heb een kleine lijfrente.
* Zelden qu'entends-je? Chavette, Z/7/V, etc. 128. Bouvier, Mar. d'un
Forçat 98.
t Zie bl. iio. § Versregel uit een gedicht van Villon, thans in de
taal als gewone zegswijze overgegaan.