Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
178
ONBEPAALDE VOORNAAMWOORDEN.
il n'a pas su se faire valoir.
Pour un commençant il est ce-
pendant bien difficile de se
faire valoir.
A qui le dites-vous? Moi qui
vous parle, j'en sais quelque
chose. Quand j'ai fait mon
premier livre, j'ai demandé
à voir M. Harpagon, un
des premiers libraires de la
ville. „A qui ai-je l'honneur
de parler?" Je balbutie quel-
que chose d'inarticulé. „Mon-
sieur, oserais-je demander
à qui j'ai l'honneur de par-
ler?" „Monsieur, je m'appelle
X., homme de lettres." „Mon-
sieur X., qu'est-ce qui me
procure l'honneur de votre
visite?" Comme j'hésitais,
il reprit: „Qu'y a-t-il pour
votre service? Que puis-je
faire pour vous? En quoi
puis-je vous être utile? Que
désirez-vous? Je vous prie
d'être bref." „Monsieur, c'est
en tremblant que je viens
vous offrir mon premier
manuscrit." Savez-vous ce
qu'il m'a dit? Devinez un
peu ce qu'il m'a offert!
„Ah, je vois ce que c'est,"
m'a-t-il dit, „de la poésie,
personne n'en veut plus ;
mieux vaut faire n'importe
quoi. Tout ce que je peux
vous offrir, c'est d'imprimer
ça de compte à demi avec
vous (en partageant les frais
et le produit)." Alors j'ai
aan hem zelf; hij heeft zich
niet weten te doen gelden.
Voor een beginner is het toch
zeer moeielijk zich te doen
gelden.
Ja, dat weet ik maar al te
goed. Ik zelf kan er van mee
praten. Toen ik mijn eerste
boek geschreven had, ben
ik mijnheer Harpagon gaan
spreken, een der voornaamste
boekhandelaars hier ter stede.
„Wien heb ik de eer te spre-
ken?" Ik stamel eenige losse
klanken. „Mijnheer, zou ik
mogen vragen, wien ik de eer
heb te spreken?" „Mijnheer,
ik heet N. N. en ben letter-
kundige." „Mijnheer N. N.,
wat verschaft me de eer van
uw bezoek?" Daar ik aarzelde,
hernam hij: „Wat is er van
uw dienst? Wat kan ik voor
u doen? Waarmee kan ik u
van dienst zijn? Wat verlangt
u? Ik verzoek, u het kort te ma-
ken." „Mijnheer, met schroom
kom ik u mijn eerste hand-
schrift aanbieden." Weet u,
wat hij me toegevoegd heeft ?
Raad eens, wat hij me heeft
aangeboden! „O, ik zie het
al," zei hij, „'t zijn verzen,
daarvan is niemand meer ge-
diend; dan is het nog beter
iets anders te schrijven, onver-
schillig wat. 't Eenige wat ik
u kan aanbieden, is dat din
te drukken op gemeenschap-
pelijke kosten (en de onkosten
en opbrengst samen te deelen)."