Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
176
ONBEPAALDE VOORNAAMWOORDEN.
B. Monsieur, je m'appelle Jean
Durand.
D. Quel est votre état (quelle est
votre profession *) ? Quel mé-
tier faites-vous? Allons, ré-
pondez! Qu'est-ce que vous
êtes? Qu'est-ce que vous faites?
B. Monsieur, je suis cordonnier.
D. Où demeurez-vous ?
B. Je demeure à Paris, rue St.
Jacques, numéro trente et un.
D. Que faites-vous ici? Qu'avez-
vous à faire ici?
B. Je cherche quelqu'un.
D. Qui cherchez-vous? Qui de-
mandez-vous?
B. Un ami.
D. Quel ami ? Comment s'ap-
pelle-t-il ? Nomm.ez-le ! Qui
est-il? Quel est-il? Qu'est-ce
qu'il est ? Qu'est-ce qu'il fait ?
Vous ne répondez pas?
B. Je ne sais pas ... je ne
me rappelle pas, monsieur.
D. Savez-vous à qui vous parlez?
Pour qui me prenez-vous?
Vite, répondez! je vous de-
mande qui vous demandez.
B. Je ne me rappelle pas bien
le nom, monsieur.
D. Alors, comment est-il? Quelle
est sa taille, sa figure?
B. C'est un petit gros blond, au
nez rouge.
D. Il n'y en a pas dans toute
la garnison. Vite, en prison!
B. Mijnheer, ik heet Jan
Durand.
D. Wat is je beroep? Wat
voor ambacht oefen je uit?
Komaan, antwoord. Wat ben
je? Wat voer je uit?
B. Mijnheer, ik ben schoen-
maker.
D. Waar woon je?
B. Ik woon te Parijs in de straat
Saint-Jacques, nummer 31.
D. Wat voer je hier uit? Wat
heb je hier te maken?
B. Ik zoek iemand.
D. Wien zoek je? Wien wil
je spreken?
B. Een vriend.
D. Wat voor een vriend ? Hoe
heet hij? Zeg zijn naam!
Wie is het ? Wat voor iemand
is het? Wat is hij? Wat doet
hij? Antwoord je niet?
B. Ik weet niet ... ik her-
inner me niet, mijnheer.
D. Weet je wel met wien je
spreekt? Voor wien zie je me
aan ? Gauw wat, antwoord! ik
vraag je, wien je spreken wilt.
B. Ik herinner me den naam
niet goed, mijnheer.
D. Hoe ziet hij er dan uit?
Hoe groot is hij, hoe is zijn
uiterlijk ?
B. 't Is een korte, dikke, blonde
man met een rooden neus.
D. Die is er in het geheele
garnizoen niet. Voort, naar
de gevangenis met hem!
" Korter: Votre état? enz.