Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
174 BETREKKELIJKE VOORNAAMWOORDEN.
Ik geloof, dat het die man daar is; hij is de eenige, die erbij a)
is geweest. Wat, mijn vriend Karei? Kom [eens] hier. Karei,
jou zoeken we. Heb Jij' dat gedaan? Wat? Wat je ziet; wat
daareven gebeurd is; dat, waarover gesproken wordt. Maar ik
heb niet gehoord, waarover er gesproken wordt. Zie je dezen
brief, dien ik geschreven heb, en dien iemand heeft openge-
maakt? Jij bent de eenige, die hier geweest is; jtj moet het
dus gedaan hebben. Wie dat [:= het] zegt, heeft gelogen. Bewijs
het. Neen, het staat [rr is] aan jou om te bewijzen, wat je zegt;
degeen, die iets beweert, moet het bewijs leveren. zegt, dat het
duidelijk is, dat tk het gedaan heb; maar dat is [juist], hetgeen te
bewijzen was. Ik kan hier een oogenblik binnen geweest zijné),
[maar] een slecht mensch, die daar kwaad van denkt. Ik ben
er de persoon niet naar, om c) eens anders brieven d) te openen.
We zullen wel zien, wie het gedaan heeft. De tijd zal het leeren.
Gij, mijn weldoener; gij, aan wien ik zooveel te danken
heb; gij, wiens meening ik steeds geëerbiedigd heb, en wiens
wil me altijd heilige) is geweest, hoor mij aan. De man, wiens
huis ge hier zien kunt, uw buurman, wiens zoon mijn beste
vriend is, en wiens dochter ik bemin, heeft me uit zijn huis ge-
jaagd. Gij, wiens vriend hij is, wiens deugden hij eert en wiens
raad hij opvolgt, help me. Ze is zoo schoon, en wat meer zegt,
ze is zoo goed. Nu [ja], ze zegt misschien van jou: hij is zoo
leelijk, en wat meer zegt, hij is een slechtaard/). O neen, [dat]
geloof ik niet. Je bent een dwaze jongen, dat ben je. Je krijgt^)
niet dadelijk de hand van de eerste [de beste vrouw], op wie je
het oog laat vallen h), en dan ben je t) dadelijk wanhopig. Zoo
is de jeugd/è). Nu, ik zal zien, wat eraan te doen is. Dank
waarde vriend, aan u zal ik mijn geluk te danken hebben.
a) Y.r hl], présent. à) hier binnen geweest zijn, «fr^ c) ik
ben er de persoon niet naar om, je ne suis pas de ceux qui. d) eens
anders brieven, les lettres d'autrui. e) heilig, sacré. /; een slecht-
aard, méchant. g) je krijgt, tu obtiens. h) het oog laten vallen,
jeter les yeux. i) dan ben je, te voilà. k) zoo is de jeugd, voilà
bien la jeunesse (voilà ce que c'est que la jeunesse).