Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
X.
Les pronoms relatifs*. De betrekkelijke voor-
naamwoorden.
165.
Qui est-ce qui a écrit cet article
si injuste? Est-ce toi qui as
fait cela?
Non, ce n'est pas moi qui l'ai
fait.
Qui est-ce donc qui l'a fait?
Qui croyez-vous qui l'a
(l'ait«') fait?
Celui qui l'a fait n'est pas celui
que vous croyez. (Ce n'est
pas celui que vous croyez qui
l'a fait). Voilà l'homme qui
l'a fait. C'est l'homme que
voilà (c'est cet homme-là) qui
l'a fait.
Wie heeft dat zoo onbillijke
artikel geschreven? Heb jij
dat gedaan ?
Neen, ik heb het niet gedaan.
Wie heeft het dan gedaan ?
Wie denk je, dat het gedaan
heeft?
Degeen, die het gedaan heeft,
is niet die, welken je meent.
(Niet degeen, dien je meent,
heeft het gedaan.) Daar staat
de man, die het gedaan
heeft. Die man daar heeft
het gedaan.
166.
Voilà nos domestiques. Voilà
l'homme qui cire les bottes
et balaie le plancher (frotte le
parquet). Voilà la femme qui
fait la cuisine. En France c'est
souvent un homme qui fait la
cuisine et qui s'appelle cuisinier
Dat zijn onze dienstboden. Dat
is de man, die de laarzen poetst
en den vloer veegt (wrijft).
Dat is de vrouw, die den pot
(het eten) kookt. In Frank-
rijk wordt dikwijls een man
genomen om het eten te be-
Hieronder begrepen de onbepaalde relat. v.n.w.