Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
BETREKKELIJKE VOORNAAMWOORDEN.
147
C'est mon tour, ce n'est pas
encore le tien.
A mon tour maintenant.
J'ai parlé à mon tour; à mon
tour j'ai eu des applaudisse-
ments (on m'a applaudi).
Il a fait ma conquête.
Il vaut son pesant d'or.
J'ai mal au bras.
J'ai mal à mon * bras.
J'ai mal à la tête.
J'ai mon * mal de tête.
Elle a sa migraine.
Il m'a rendu visite.
Je lui ai rendu sa visite.
Voilà mon affaire.
J'ai mon affaire.
J'ai votre affaire.
J'ai mon million; mon Dieu oui,
et vous?
Mon Dieu, non.
Je lui ai dit son fait (je lui ai
dit ma façon de penser).
't Is mijn beurt, het is nog
niet de jouwe.
Nu, ik.
Ik heb daarna op mijn beurt
gesproken, en op mijn beurt
heb ik toejuichingen ingeoogst
(bijval gevonden).
Hij heeft mij geheel voor zich
ingenomen.
Hij is met geen goud te betalen.
Ik heb pijn aan mijn arm.
Ik heb weer die pijn aan mijnarm.
Ik heb pijn in 't hoofd.
Ik heb weermijn oudehoofdpijn.
Zij heeft als gewoonlijk hare
[scheêljhoofdpijn.
Hij heeft mij een bezoek ge-
bracht.
Ik heb hem een tegenbezoek
gebracht.
Dat is net wat ik zocht.
Ik heb wat ik zocht.
Ik weet, waar ik het door u
bedoelde vinden kan. (Ik kan
u het gewenschte bezorgen).
Ik heb mijn millioentje binnen,
hoor, en jij?
O neen, ik niet.
Ik heb hem behoorlijk (geducht)
de waarheid gezegd.
OEFKNINGEN IN HET GEBRUIK DER BEZITTELIJKE
VOORNAAMAVOORDEN.
Papa en mama, oom en tante, mijn broer en mijn zuster zijn
me komen opzoeken. Ik heb mijn ouders (mijn pa en ma) lief.
C.-M. Robert, Questions de grammaire^ etc. ^ 130.