Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
142
BEZITTELIJKE VOORNAAMWOORDEN.
Voici mon chapeau à moi. Voici
le mien, voilà le tien.
Voici deux plumes ; celle-ci est
la mienne, celle-là est la
tienne.
N'est-ce pas celle de Charles?
Non, la sienne est plus grande;
les nôtres sont plus petites.
Du reste, Charles a sa plume
dans sa boîte (son plumier).
Il a son porte-plume dans
son sac (sa serviette)
Dit is mijti hoed. Dit is de
mijne, dat is de uwe.
Hier zijn twee pennen; dit is
de mijne; dat is de uwe.
Is het niet de pen van Karei?
Neen, de zijne is grooter; de
onze zijn kleiner. Trouwens,
Karei heeft zijn pen in zijn
pennenkoker. Hij heeft zijn
pennenhouder in zijn school-
tasch (schrijfmap).
148.
Charles, tu as pris mon livre.
A qui donc est ce livre?
Ce livre est à moi (m'appar-
tient); il n'est pas à toi (ne
t'appartient pas. Mon livre
n'est pas le tien. Mon livre
et le tien, ce n'est pas la
même chose. Ne confondons
pas le mien et le tien. (Il
faut savoir faire la différence
du mien et du tien.) (Il faut
distinguer le mien et le
tien.)
Mais c'est mon livre et le tien;
il est à nous deux. Notre
père nous l'a donné à tous
deux. Ton livre est donc
aussi le mien ; le mien est
aussi le tien.
Oh non, pas celui-là. C'est
un livre à moi (un de mes
livres "). Je le reconnais à
mon chiffre.
Karei, je hebt mijn boek weg-
genomen.
Van wien is dan dat boek?
Dat boek is van mij (hoort
van mij); het is niet van jou
(hoort niet van jou). Mijn
boek is niet van jou. Mijn
boek en jouw boek, dat is niet
hetzelfde. Laten we het mijn
en het dijn niet verwarren.
(Men moet verschil weten te
maken tusschen het mijn en
het dijn.) (Men moet het
mijn van het dijn onder-
scheiden.)
Maar het is mijn boek en ook
jouw boek. Het is van ons bei-
den. Papa heeft het aan ons
beiden gegeven. Jouw boek is
dus ook het mijne, en het
mijne is ook van jou.
O neen, dat boek niet. Dat is
een boek van mij (een van
mijne boeken). Ik herken het
aan mijn naamletters.