Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
BETREKKELIJKE VOORNAAMWOORDEN. 139
u, mij dien dienst te bewijzen. Zal je zwijgen? Ik zal zwijgen;
ik zal me wel wachten te spreken. Heb je het hem verteld?
Ja, hij heeft me erom gevraagd; hij heeft me zoozeer verzocht
hem alles te vertellen, dat ik het hem ten slotte gezegd heb.
U weet iets, dat mij aangaat«). Zeg het me. Wil u het me
niet zeggen? Welnu, zeg het me [dan] niet; spreek er me niet
over; laten we er niet meer over spreken. Integendeel, laten we
er wel over spreken. Laten we er niet meer aan denken. Integen-
deel, laten we er wel aan denken.
Een [zeker] schrijver zegt: trouw of trouw niet; gij zult van
het een zoowel als van het ander b) berouw hebben c).
Geef je je over^/)? Ik geef me niet over. We hebben elkaar
reeds ontmoet: we zullen elkaar weldra wederzien. Als we elkaar
weer ontmoeten, zullen we elkaar bevechten. Geef u over of
geef u niet over, u is reeds overwonnen.
Mijn zoon vraagt me om geld. Geef het hem niet. Geef het
me, papa. Zal ik het hem geven? Geef het hem, of geef het hem
niet, zooals u wilt. Ik heb geen geld, heeft u het? Ja, ik heb
het, hier is het. Hoeveel heeft u noodig? Vijf francs. Hier zijn ze.
Waar zijn de appelen. Karei? Heb jij ze weggenomen? Ja,
ik heb ze opgegeten. En de peren, waar zijn die? Aan de boo-
men, denkelijk (vermoed ik) é). Ik zie ze niet. Ik ook niet. Ik
dacht, dat er nog over waren. Ik ook, maar ik zie, dat er niet
meer zijn; er is niet één meer over. Nu/), 't kan mij niet schelen.
Is mijnheer thuis? Neen, mijnheer, mijnheer is niet thuis; hij
is zoo pas uitgegaan met een anderen heer. Hij heeft me ge-
zegd: Als mijnheer N. komt, zeg hem [dan], dat ik niet thuis
ben, maar dat ik spoedig terug zal zijn (dat ik weldra thuis zal
komen). Is er niemand thuis? Ja wel, mevrouw is thuis. Ha,
daar is hij. Dag, mijnheer, hoe gaat het? Heel goed, dank u;
en [hoe gaat het met] u? Komt u uit de stad? Ja, daar kom
ik vandaan. Wat gebeurt daar [toch]? Wel^^-), niets bijzonders;
men eet er en men drinkt er, men heeft er elkaar lief en men
haat er elkaar, men leeft er en men sterft er. Zoo h), is't anders
niet«)? Ik dacht, dat het [er] plezieriger was.
a) Aangaan, regarder. b) liet een zoowel als het ander, Pun et
l'autre. c) berouw hebben van, se repentir de. d) zich overgeven,
se rendre. e) aan de boomen, denkelijk (vermoed ik), sur les arbres,
apparemment (Je suppose). f) nu, moi (of quant à moi.) g) wel,
mais. h) zoo, vraiment (of tiens). i) is 't anders niet, rien que ça.