Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
13(5 PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.

glace ? Le lui permettez-vous ?
Certes non, je le lui ai défendu. —
Viens ici, Charles. Tu n'iras
pas à la rivière, entends-tu?
Je te l'ai défendu, et je te le
défends encore, en attendant
que la glace soit assez forte.
Me promets-tu de ne pas le
faire? Me le promets-tu? Tu
me le promets?
Oui, mon père, je vous®' le
promets.
het ijs ? Staat u hem dat toe ?
Zeker niet, ik heb het hem ver-
boden. — Kom hier. Karei. Je
gaat niet naar de rivier, hoor
je? Ik heb het je verboden,
en ik verbied het je nogmaals,
totdat het ijs sterk genoeg is.
Beloof je me, het niet te
zullen doen? Beloof je het
me? Je belooft het me?
Ja, papa, ik beloof het u.
119.
Eh bien, je viens de voir votre
fils sur la glace. Il dit que
vous le lui avez permis.
Vous l'a-t-il dit lui-même?
Certainement, il me l'a dit lui-
même.
Il vous a dit cela? Eh bien, il
en a menti. Ah, le voilà de
retour. — On a donc débité
un petit mensonge ? Tu
auras affaire à moi, mon
gaillard.
Mon père, pardonnez-moi ; c'est
Louis qui me l'a fait faire.
Ne vous fâchez pas ; ne m'en
voulez (veuillez) pas; je ne
le ferai plus.
Je suis fâché contre toi ; je t'en
veux d'avoir menti. — C'est
vrai, je lui en veux beau-
coup. — Ta désobéissance,
je te la pardonne; le men-
songe, non. Je te le pardon-
nerai peut-être, si tu me
promets bien solennellement
de ne plus en dire (faire).
Nu, ik heb zooeven uw zoontje
op het ijs gezien. Hij zegt,
dat u het hem heeft vergund.
Heeft hij u dat zelf gezegd?
Zeker, hij heeft het me zelf
gezegd.
Heeft hij u dat gezegd? Nu,
dan heeft hij gelogen. Aha,
daar komt hij terug. — Zoo,
zoo, je hebt dus gejokt?
Wacht maar, manneke, je
zult nader van me hooren.
Papa, vergeef het me; Lode-
wijk is er de oorzaak van.
Word niet boos; wees niet
boos op me; ik zal het niet
weer doen.
Ik ben boos op je; ik vind
het leelijk van je, dat je ge-
logen hebt. •—^ Ja, 't is zoo,
ik ben heel boos op hem. —
Je ongehoorzaamheid vergeef
ik je; maar het liegen, niet.
Ik zal het je misschien ver-
geven , als je me uitdrukkelijk
belooft niet weer te liegen.