Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
13(5 PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.

Ah, voilà un magnifique cadeau
que tu lui feis li Je t'en
fais mon compliment.
Mais pas tm mot devant lui,
entends-tu ? Garde-toi bien
de lui en dire un mot.
Sois tranquille. Je me garderai
bien de te trahir
Tais-toi ; le voilà.
Je me tais. Je ne dis pas un mot*.
Xu, 't is een prachtig geschenk,
dat je hem geeft Ik maak je
mijn compliment
Maar geen woord erover in zijn
bijzijn, versta je ? Pas op, dat
je hem geen woord ervan zegt.
Wees gerust. Ik zal wel oppas-
sen, je niet te verraden.
Stil, daar is hij.
Ik z*ijg al. Ik spreek geen woord.
111-
Toi, tu es riche; moi, je suis
pau\Tet. Tu as tout, et je
n'ai rien.
Moi aussi j ai été pau\Te. Mais
je me suis dit: Aide-toi, le
ciel t'aidera. Toi, tu es jeune,
moi, je suis vieux. Tu as les
plus belles années de ta vie
devant toi. Fais comme moi
et tu verras comme tu réussiras
eu tout (tout te réussira)".
Jij bent rijk; ik ben arm. Jij
hebt alles, en ik niets.
Ook ik ben arm geweest. Maar
ik heb bij me zelf gezegd:
Wie zich zelf helpt, dien helpt
God. Jij bent jong, en ik ben
oud. De schoonste jaren van
je leven liggen nog voor je.
Doe evenals ik en je zult
zien, hoe alles je zal meeloopen.
112.
Te voilà, mon pau\Te ami. Com-
ment vas-tu?
Ah, mon cher ami,, comment
veux-tu que j'aille? Je me
fais \-ieux ; je m'aperçois que
je ne suis plus jeune.
[Xi] moi non plus. J'ai un
grand gaillard de fils qui
pense à se marier. Ça ne me
rajeunit pas.
Que veux-tu ? Il faut s'y ré-
Zoo , ben je daar, beste \Tiend
(arme jongen). Hoe gaat het?
Ach, beste \Tiend, hoe zou het
me gaan? Ik word oud; ik
merk wel, dat ik niet jong
meer ben.
Ik ook niet- Ik heb een grooten
bengel van een zoon, die aan
trouwen denkt. Dat maakt
me nu juist niet jonger.
Ja, wat daaraan te doen? Men
* Je fu dis met veroudert in de spreektaaL VgL sans met dire.
t Tot afwisseling kan men ook zeggen: Tot iu es richt; je mis pauvre ^
mei, of ook: Tu es richt, toi; moi, je suis potczTe,
S'