Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
TELWCK>RDEX.
93
S6.
Quelle heure est-il? Dites-moi
quelle heure il est (l'heure
[qu'il est]), s'il vous pîalt.
Quelle heure croyez-votis qu'il
soit? Savez-vous l'heure, mon-
sieur? (Avez-vous l'heure,
monsieur?) Quelle heure avez-
vous [à votre montre] ?
Pardon, monsieur, je n'ai pas
de montre.
Et vous, monsieur, comment va
votre montre (Jam. comment
allez-vous *) ?
Ma montre avance im peu :
j'a%'ance de cinq minutes,
je crois. La vôtre retarde,
je crois.
Oui, je retarde d'un quart
d'heure.
Moi, j'ai dis heures ; ma montre
va juste (bien) {fam. je vais
juste).
Ma montre s'est arrêtée; j'ai
oublié de la remonter hier
Tau] soir en me couchant.
Je vais la régler sur la vôtre.
A ma montre, il est dix heures.
Il est dix heures précises
(juste) T.
A la mienne, il est dix heures
[et] cinq [minutes].
Il est dix heures et [un] quart
(dix heures un quart). Il est
dix heures [et] vingt [minutes].
Hoe laat is het? Zeg me hoe
laat het is, als 't u belidt.
Hoe laat denkt u , dat het
is ? Weet u ook, hoe laat
het is, mijnheer ? (Weet u
den tijd, mijnheer ?) Hoe
laat heeft u het [op uw
horloge] ?
Pardon, mijnheer, ik heb geen
horloge bij me.
En hoe gaat uw horloge, mijn-
heer?
Mijn horloge loopt wat voor:
ik ga, geloof ik, vijf minuten
voor. Het uwe loopt na
(achter), geloof ik.
Ja, ik ga een kwartier na
(achter) ?
Ik heb het tien uur; mijn
horloge gaat gelijk (ik ga
gelijk).
Mijn horloge is blijven staan:
ik heb verzuimd het gisteren,
toen ik te bed ging. op te
winden. Ik zal het met het
uwe gelijk zetten.
Op mijn horloge is het tien uur.
Het is precies tien uur.
Op het mijne is het vijf minu-
ten over tienen.
Het is kwart over tienen. Het
is twintig minuten over tienen
(tien minuten voor halfelt").
■ Beieekent anders: „Hoe gaat het [me:j a?"*
T Bij de minuten j^te; daarentegen bij de halre aren jusU of
tr^cu : trois heurts ei demie précises <Â juste Pa55y .