Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
96 , Natuurlijke historie voor de jeugd,
FH ^ —--^--
Zegt Buffon, »ofschoon zy dien nimmer laten scheeren. —"
fx
1.
Weshalve zy ook weinig by den barbier verteerem
Als katvisch een hengel aanschouwt,
t§ . Dan wordt zijn bloed doorgaands dadeljjk kond,
^■ff '-r . Maar als zijn oom (die de leepste van alle visch,
^ ' . Ofschoon voor zijn buren in den omgang wat lastig, is)
k'i! .^ Ik meen, als een snoek
1 Een hengelaar ziet of een hoek.
Dan wordt hy zoo boos en zoo bleek als een doek*
l^n En ofschoon de hengelaar hem ook bespeurt,
Hy heeft hem daarom nog niet naar huis gebeurd.
Hy heeft, het is waar, wel eens aan;
Doch de snoek rekent op 't mis-slaan.
En als de ander zich verbeeldt dat hy slaat,
Dan poetst snoekie-maat
Gemeenlijk stilletjens de plaat;
Maar steekt nog eerst op zijn dooie gemak
Hei aas met den hoek en den halven draad in zijn zak»
En dan roept hy nog, als hy gaat,
Heel hatelijk tot den hengelaar: »adi, kameraad!**
En in 't omkijken: »dag Jaap, adi!
»Pas op de graten, jongen! bon appétit.
»Als jy van daag je hart op snoek hebt gezet,
»Dan visch je min of meer achter 't net.
»Ik ben nu en dan, naar uw verlangen,
iQuasi wel eens aan 't aas blijven hangen,
j I »Maar dat was spiering om kabeljaauw te vangen.
^ . »En zoo jy te Leiden in 't hengelen bent gepromoveerd,
i iDan heb je, naar ik meen, al byzonder weinig gestudeerd
»En je piepa zgn geld op een slordige wijze verteerd.
I »Enfin I ik wensch je goeje morgen." En al den tijd,
\ Dien nu Snoek met dees dialoog of alleenspraak verslgt^
' Staat Jaap, met een mond zoo deftig als een geit,
t! j Nog even geduldig te wachten of de snoek nog bijt.
»r