Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
9 Iets over den schrijver en zipi dichttrant.
grappige, het blijde, te gevoelen: hy is nog niet genoeg ontwikkeld om
ook te vatten wat in de daad belachlijk en dwaas is. Daartoe behoort
de gave der opmerking, die eerst later een zekeren graad van volkomen-
heid verkrijgt. Het kind weet zeer spoedig, wat smart, wat lijden is:
het heeft nog geen helder begrip van menschelijke domheden, kuren en
verkeerdheden: het heeft lieden van meerderen leeftijd leeren eerbiedi-
gen, en eerst langzamerhand komt het tot de overtuiging, dat bejaarde
menschen somtijds al zeer kinderachtige en onverstamliire dingen kunnen
zeggen of doen. Ieder kind, dat een gezond hoofd heeft en goed wordt
opgevoed, zal op zijn tiende jaar de »Athalie" zoo goed be^rjipen. en
er het schoone van gevoelen, als op zijn veertigste; maar al moge hy
lachen om de »Précieuses ridicules" en de »Kemmes Scavantes," de we-
zenlijke ȟis comica*' die er in steekt, zal hem ontgaan.
Zoo waren dan ook, in weêrwil dat zich by Van de Linde zoo wel het
Bchalk vernuft als de gave der opmerking vroeger dan by de nie*'8ten
ontwikkelden, zijn eerste gedichten van ernstigen aart, terwijl zyn nan-
leg tot het boertige zich op andere wijze openbaarde, en wel inzonder-
heid in het nabootsen van allerlei volksdialecten, het vertellen, opsmuk-
ken en uitvinden van anekdoten en kwinkslagen, en zoo voort.
Intusachen was de knaap een jongeling geworden, en in den jaro 1825
werd Van de Linde naar Leyden gezonden, ten einde zich aldaar voor
het predikambt bekwaam te maken. Gelgk te voorzien was, maakten zijn
vlugheid van begrip, helderheid van vorstand en keurigheid van smaak
aan de eene zijde, zijn zucht tot gezelligheid en de levendigheid van zijn
geest aan de andere, hem by Professoren en Studenten aldra geacht en
bemind. Hoe zijn leermeesters over hem dachten, bewijzen de vleiende
getuigenissen en aanbevelingen, door de Hoogleeraren Van der Palm,
Van Voorst, Van Hengel, L. Suringar, Kist en anderen, te zijnen behoevt
afgegeven en thands onder my berustende: en een blijk van het aanzien,
waarin hy by zijn medestudenten stond, meen ik daarin te mogen vin-
den, dat hy, in 1^30 deel uitmakende van het korps Leydsche Jagers,
door zijn krijgsmakkers tot korporaal werd voorgedragen: in welke hoe-
danigheid hy dan ook dienst deed en deel nam aan den veldtocht van 1881,
Weder tot het akademieleven teruggekeerd en den graad van kandi-
daat in de Theologie verworven hebbende, werd hy ettelijke reizen toe-
gelaten tot het geven van proeven zijner bekwaamheid als prediker, en